DE LEIDSCHE BURCHT.

FEESTDRONK OP HET OUD-STUDENTENFEEST,
ALDAAR GEVIERD DEN 9 AUG. 1838.

De Leidsche Burcht, de Leidsche Burcht!
De burcht der Wassenaren!
In Bato’s erf, door Romes band,
Op ’t slib des Nieuwen Rijns geplant,
Voor achttienhonderd jaren!

Gij, wien, der muitzucht ten bedwang,
Augustus machtwoord bouwde,
Gij burcht, van Ada’s tranen nat­
Met bloed bemorst, met wijn bespat,
En toch maar altijd de oude!

Berenning, aanval, slachting, brand,
Geweld van ram en blijden­
Het bruisen van den Noordschen vloed,
Het stormen van den oorlogsmoed,
Dat alles moest gij lijden.

Maar toen de Zilvren Halvemaan
Uw poort werd uitgedragen,
En burchtgraafsrecht en titel koel
Verkocht aan ’s Burgemeesters stoel, (*)
Toen kreegt gij gulden dagen,

Toen vestigde, op uw ronden trans,
Minerva haar banieren,
En zette bij uw schalk fontein
Zich neer, om als een oud Romein
Eens duchtig feest te vieren.

Sinds; voor des krijgsmans vasten voet,
Op laarzen aangeschreden;
Sinds zaagt gij menig wanklen stap
Zich wagen op die booze trap
Van acht en zestig treden!

Zag soms des Slotvoogds wakker oog
Met schrik op Rijnlands weiden:
Sinds zaagt gij menig rond gezicht
Op Hooglands hooge kerk gericht,
En ’t kunstenkweekend Leiden.

Stijg, oude burchtgeest, uit uw put!
Kom uw gelaat vertoonen!
Put, die het Wassenaars-geslacht,
Eeuw uit, eeuw in, naar Katwijk bracht
Om d’ afslag bij te wonen. (*)

Wat ziet gij van uw hooge tin?
Wat ziet gij van uw transen?
Een heir van Zonen van Minerf
Zich zeetlen op uw wettig erf,
Een heir van bekers glansen.

Een dronk voor U; een dronk voor U!
Beschermgeest van den Toren!
Wij allen zagen aan zijn voet,
Weerkaatsende in der blikken gloed,
Zoo vaak de feesttoorts gloren.

Wij allen dronken vreugde en wijn,
In schaduw van zijn wallen;
En luider dan de wapenkreet,
Die u Graaf Willem hooren deed,
Mocht onze feestkreet schallen!

Zie neer! van Kenmerland en Rijn,
Uit Zeeland, Friesland, Gelder,
Verjongt uw aanblik heel dees rij,
Die u begroet met Malvezij
Uit Kramers ouden kelder!

Voorzeker, menig mop bezweek,
Die eer uw bogen welfde,
Uw breede trappen zijn gesloopt
Maar wat vergaan mag of verloopt,
Die kelder blijft dezelfde.

Zoo de ouderdom u knorrig maakt,
Zoodat de drukte u hindert;
Wie onzer zich student gevoelt,
Is ’t hart nog even onverkoeld,
De feestzin onverminderd.

En dus, van ’t vol studentenhart
Klinke u dees kreet in de ooren:
Uw trotsche burcht prijk jaar en dag
Met, Pallas vaan en Bacchus vlag,
Beschermgeest van den Toren!


Ingezonden op: 19 July 2001