EEN LIED VAN BLOEMEN

Ginder, in het groene dal.
Bloeien rozen voor mijn voeten.
Waar ik haar me sieren zal.
Die mijn liefde er zal ontmoeten.
Donkre rozen, schoon van kleur,
Gloeiende in de zonnestralen.
Bleeke rozen, zoet van geur.
Waar geen reukwerk bij kan halen;
Lieve rozen altegaar,
Die mijn. liefde saam zal vlechten
Tot een blijden krans voor haar.

Ginder, aan de kleine beek.
Blinken lelies voor mijn oogen:
Lieflijk is haar marmerbleek
Van een droppel dauw betogen:
Witte lelies, rein en blank,
Die ik tot een ruiker hinde;
Blauwe lelies, malsch en rank,
Voor de borst van mijn beminde;
Lieve lelies altemaal,
Die mijn liefde saam zal snoeren,
Haar ten smetteloozen praal.

Ginder, op het gele duin,
Groeien geurige violen,
Met de kleine, paarse kruin
Onder mos en tijm verscholen.
Dwaas wie ooit violen vroeg,
Om of vlecht of borst te tooien;
Want slechts zijn ze groot genoeg
Om haar weg mee te overstrooien!
Geurig zijn ze niettemin,
Om de paden te besneeuwen
Van mijn teedre zielsvriendin!


Ingezonden op: 19 July 2001