LOF.

IN EEN ALBUM.

De Knaap, die eerbiedvol, reeds in zijn kinderdagen,
Het oog niet op de Kroon der dichtren hield geslagen,
Maar op hun Grootheid, op hun Adel, op hun Rang;
Onwetend of hij eens hun deelgenoot zou worden,
En t heilig ordekleed zich om de leden gorden
Der fiere Priestren van den Zang;

De Jongling, die, zoo vaak zijn geestdrift hem verrukte,
Zich onder de almacht van die overstelping bukte,
Die de oogen schittren doet en t strak gelaat verbleekt,
En, niet dan half bewust van wat hem t hart deed gloeien.
Gehoorzaam aan dien dwang, zijn zangen uit liet vloeien.
Als een, die in zijn droomen spreekt:

O, Zoo u ooit zijn toon behaagd heeft of ontroerde,
Zoo ooit zijn ziel u in haar wereld met zich voerde,
Het was de gave Gods, die uit hem sprak niet hij
Ontzie u hem met lof en eer voor t oog te treden!
Nooit heeft in hem de Trots om lauweren gebeden,
Maar steeds t Gevoel om pozij.


Ingezonden op: 19 July 2001