DE RIDDER VAN ST. JAN.

Een ridderlijk knecht toog vol moed naar t gevecht;
Geen volmaakter zat immer te paarde;
Geen bekwamer dan hij in gekoos en gevrij,
Geen zoo koen met de lanse en den zwaarde.
Ieder jonkvrouw in den lande sprak er met verrukking van,

En zij liet een zuchtje glippen voor den Ridder van Sint Jan.
Naar zijn helmkamtooi zag men t eerst op t tornooi
Waar zijn speerpunt de vroomsten versaagde;
En z muntte hij uit met gezang en door luit,
Dat geen meistreel een kans met hem waagde.
Ieder Jonkvrouw, die hem hoorde, trilde er tot in t hartje van,
En haar oogje bleef geslagen op den Ridder van Sint Jan.

Zijn helder oog blonk als een tintlende vonk,
Zijn wangen als razen zoo lustig;
Nergens houding zoo net, of zoo nobel een tred,
En hij stond op zijn voeten zoo rustig.
Ieder jonkvrouw, die hem aanzag sprak: Ziedaar een heerlijk man!
En zij schreide om die gelofte van de ridders van Sint Jan.


Ingezonden op: 19 July 2001