TROUW.

(NAAR TH. HOOIlE.)

Het zeil weerkaatste de avondzon,
De zee was rood als bloed;
Al wat mijn liefje snikken kon,
Was dit: o keer met spoed!
Ons schip zwierf om door menig zee,
En toefde aan menig strand;
Maar t zij de kou mij huivren de
Of door de zon verbrand,
Op elke zee, in ieder oord,
Nooit zag ik t west in gloed,
Of altijd hoorde ik weer dat woord:
o Keer, o keer met spoed!

En zoo mijn hart u soms vergat,
t Was in t gevecht; slechts dan,
Wanneer ik de oogen op mij had
Van menig dapper man.
Maar zoo, in t woeden van den strijd,
De min vergeten waar,
Zij gaf den roem zijn waarde altijd,
Na t wijken van t gevaar;
En als de rust der zege kwam,
De drift had uitgewoed,
Was t of k op nieuw dat woord vernam:
o Keer, o keer met spoed!


Ingezonden op: 19 July 2001