O VRAAG NIET WAT WELLUST DE DICHTER GENIET.

O vraag niet wat wellust de dichter geniet,
Als het blosje der schoonheid bezwijkt op zijn stem;
Als de ontroering in tranen versmelt voor zijn lied,
En de sterkte des mans zich vernedert voor hem;
Als de weerzin, ontwapend, het hoofd buigt ter aard;
Als een rimpel van ernst zich vertoont op ’t gelaat
Van wiens hart voor genoegens en ijdelheên slaat
En de juichtoon des dartlen een poostijd bedaart;
Als de trots zich terneerbuigt, de boosheid verbleekt,
En het hart van den edelen zwelt, waar hij spreekt.

Maar verstomme de lof en verdorre de kroon!
Breek de faam haar bazuin, die zijn glorie verhief!
Van haar zwellend geluid wacht geen dichter zijn loon
En geen volksgunst, geen ophef, hoe luid, is hem lief.
Zou een koning hem loonen met paarlen en goud,
Of verhoogt hem het teeken eens ridders de borst,
Die gebied voert tot zelfs op het hart van den vorst,
En zijn adel van God en de hemelen houdt?
Is de beuzlende lofspraak der wereld hem waard,
Hem, wiens taal profetie is en niet van deze aard?


Ingezonden op: 19 July 2001