WIJ WETEN.

„Wij weten niets dan dit: dat wij niets weten,”
Zei Socrates. Maar Socrates is dood;
En schoon men nog zijn spreuk niet heeft vergeten,
Men heeft ze althans van haar gewicht ontbloot.
De man, die heden haar gepast dorst heeten,
Vond zeker ook in ’t kervelsap den dood;
En zonder dat men dagen lang en nachten
Op ’t traag retour van eenig schip zou wachten.

Onze eeuw is de eeuw der kennis; de eeuw van ’t licht;
Dit weten wij, en leerden ’t op de scholen.
Voor ons gebrild of ongebrild gezicht
Blijft klein noch groot verborgen of verholen;
’t Heelal schijnt ons doorschijnend; ’t kleinste wicht
Weet van „den bol, die plat is aan de polen”;
En heeft een bol, die, ’t zij dan plat of spits,
Scheepsruimte voor de hoogste wijsheid is.

Ontdekking, vinding, vruchten, resultaten,
Mijnheer! Onze eeuw telt nog geen veertig jaar,
En heeft op dit punt reeds meer recht van praten
Dan al de vorige eeuwen met elkaar.
Want wat, wat hebben zij ons nagelaten
Van wetenschap? — De kunsten laat ik daar —
Een hoop, mijnheer! van gissingen en droomen,
Waarmeê wij niet veel verder zouden komen.

Maar ons, mijnheer! Ons weten is gegrond;
Ons weten is niet dan wiskunstig weten.
BESPIEGLING hoort gij niet uit onzen mond;
Het woord, om zoo te zeggen, is vergeten.
TOEPASSING is de boodschap. Zie maar rond!
Wij nemen waar, zien, tasten, wegen, meten,
En, als een rijpe vrucht van onze vlijt,
Beschaamt een nieuwe wereld d’ ouden tijd.

Er blijven vragen over; maar niet velen.
Wat LEVEN is, wat KRACHT is, weet men niet.
Maar ’t kan ons eigenlijk ook weinig schelen,
Indien het ding maar dáár is, dat zoo hiet.
Langs welken weg zich ziekten mededeelen ­
Daar is veel duisters ook op dat gebied;
Ook zijn wij nog niet zeker van ’t genezen;
Maar toch — de Dood mag op zijn hoede wezen!

In ’t zeedlijke zijn ook nog raadsels; maar
Dat ’s minder! Als wij gaslicht zullen branden,
Den luchtballon bestijgen met malkaar,
Per spoortrein reizen naar de verste landen,
Dan laat men die onvruchtbre quaesties daar.
Wat hebben we er de vingers aan te branden?
Wat baat ons ’t metaphysische gezwoeg?
Wij hebben aan de stof nog stofs genoeg.

Daar is de „stille wereld van de starren”,
De stomme wereld van de steen en nog,
Waarbij wij uw oneindig barrewarren
Ontwijken, en uw geestlijk zelfbedrog,
Mijnheeren godgeleerden! die, als varren
En bokken, ons met hoornen aanvalt. doch
Alleen GELOOVEN kunt, en niets BEWIJZEN,
Terwijl wij om ’t contrarie zijn te prijzen

Maar gij wilt deugden kweeken! — Dat doen WIJ.
De kennis geeft het rechte zelfvertrouwen;
Het zelfvertrouwen maakt de geesten vrij;
De vrijheid doet de dingen juist beschouwen;
Het juist beschouwen leert, dat ik en gij
Het best doen met ons aan die maat te houen,
Waarbij fortuin, fatsoen, gezondheid, eer
Het minste lijden — en wat wil men meer?


Ingezonden op: 19 July 2001