AAN YOLANDE.

Uw deel is een gebroken hart,
Uw deel een buigend hoofd!
De giftige adem van de smart
Heeft u den blos geroofd;
Gij hebt, in pijnlijke eenzaamheid.
Uw blinkende oogen dof geschreid;
En hadt ge u dat beloofd,
Toen ge u in de armen wierpt eens mans
Wiens liefde — maar waar is zij thans?

De roos viel af, de vlam ging uit,
Wier gloed u koestren zou,
En al de weelde van de bruid
Versmolt in ’t leed der vrouw;
De blinddoek viel u van ’t gezicht;
En, voor ’t gedroomde zonnelicht,
Verscheen een nacht van rouw,
Van rouw, dien ge u ontveinsd hebt; maar
In ’t eind viel bij uw ziel te zwaar.

Zie, nauwlijks was de knoop gelegd.
De heillooze eed gedaan,
Of wat ge u zaligs hadt voorzegd
Was als een droom vergaan.
Gij hebt getwijfeld, — ras, niet waar?
Toen was het uur uws jammers daar;
Toen ving uw tering aan!
Thans kent, thans overziet ge uw lot!
Thans, Martlaresse, trooste u God!

Wat koude siddring, droeve vrouw!
Verkilde u ’t gloeiend hart,
Toen de afgod van de huwlijkstrouw
Uw’ oog’ ontsluierd werd?
Toen gij, door weelde en min bezield,
Een steenen beeld in de armen vielt,
Gevoelloos, koud en hard,
Waar ge u een engel hadt beloofd,
Met lichtglans om ’t gezegend hoofd?

Eens hebt ge een vriendenraad mistrouwd, —
Neen, acht het geen verwijt!
Gij waart pas zestien jaren oud,
En waart niet wat ge zijt.
Uw reine ziel, uw kinderzin
Geloofde aan de eeuwigheid der min,
In ’s levens rozentijd,
En raamde ’t listig tooverlied
Of ’t masker der geveinsdheid niet.

O, Hadt gij thans die droomen weer,
Die droomen uwer jeugd,
Het zalig, kinderlijk weleer,
Dat u zoo smartlijk heugt!
Of kwelde u onspoed en verdriet,
Maar slechts die wreede ervaring niet!
Wat raakt u ’s werelds vreugd?
Bezat gij de onbewustheid nog
Van ’s werelds valschheid en bedrog.

Wee, wee den koelen echtgenoot,
Die ze u verliezen deed,
Die, toen hij u in de armen sloot,
U uithuwde aan uw leed!
Wien kort uw schoonheid heeft gestreeld,
Maar ras uw kalme deugd verveeld,
Als ’t houden van zijn eed!
Gevloekt — Maar hoe! uw wang verschiet,
En schreiend smeekt gij: Vloek hem niet!

Gij mint hem nog. Gij zijt een vrouw;
Der vrouwen min is schoon;
Trouwloosheid maakt haar niet ontrouw,
Verachting, smaad, noch hoon;
En rooft de ruwe hand eens mans
Haar wreed der liefde rozenkrans,
Zij draagt haar doornenkroon;
Want haar verteert een liefdegloed,
Die zelfs door tranen wordt gevoed.


Ingezonden op: 19 July 2001