THUISKOMST VAN HET EENJARIG KOOSJE ,

na, wegens ziekte van het overige gezin, een verblijf van vier weken in het huis van haar grootouders.

Komt gij in.mijn huis weerom,
Lieve, kleinste spruit?
Moest gij op uw ouderdom,
Reeds zoo lang daaruit?

Speenden wij u, niet alleen,
Na een maand of elf,
Van uw moeders boezem neen,
Zelfs ook van haar zelf?

Heb ik u met pak en zak
Aan de deur gezet?
Zeide Ik: Zoek uw eigen dak
En uw eigen bed?

Moest gij zorgen voor uw brood
In dees duren tijd?
Neen, die proef was al te groot;
k Had wat dikwijls spijt.

k Heb wel honderdmaal gedacht
Midden in mijn werk,
(Ook een enkle maal bij nacht) .
t Is wat al te sterk.

k Ben geen weeke vader, neen
Lasteraar die t zeit!
Maar uw leeftijd, naar t mij scheen
Maakte een onderscheid.

Somtijds dacht ik: t Arme kind
Denkt misschien met smart:
Ik word niet-met-al bemind
Door mijns Vaders hart!

Waar zij haars gelijken ziet
Bij hun ouders haard,
Denkt zij telkens met verdriet
Aan mijn wreeden aard;

Broeit er in haar jong gemoed
Vast een stil verwijt;
Zegt zij: Vader meent het goed
Maar is liefst mij kwijt.

k Dacht dien argwaan aangevuurd,
Door het boos gepraat
Aller kindren van de buurt
En ik wist geen raad.

Kwam. zoo docht mij, t kind ooit weer
Onder Vaders dak,
k Wist wel wie er nimmermeer
Van vertrekken sprak!

Doch de haat, dit was mij klaar,
Zat u reeds in t bloed:
Bij dien gierigen barbaar
Zet gij nooit weer voet!

Maar daar zijt ge. Welkom hier!
Dank dat gij er zijt!
Met die oogjes vol plezier,
Zonder n verwijt.

Met dien vriendelijken lach
Op die lieve koon,
Dien ik in mijn droomen zag,
Maar nog eens zoo schoon!

Met die armpjes uitgebreid
Naar ons gansch gezin
t Staat u open, lieve meid!
Kom er maar weer in.

Kom maar weder aan den disch
(Jongens, schikt wat op!) .
Waar desnoods een plaatsjen is
Op mijn knie, mijn pop!

Daar k u eindlijk wederzie,
Houd ik u ook hier;
Hebben wij nog brood voor drie,
t Is er ook voor vier.

Zelfs geloof ik, kleine meid!
Is t er op gemunt:
t Bedje ligt nog wel gespreid,
Waar gij slapen kunt.

Schoon sinds weken aan t verdriet
Van t gemis gewend,
Moeder, denk ik. treurt toch niet
Dat ge er weder bent.

Kijk, Maria en de broers
(k Merk: het aan t gekus)
Zijn alvast nog niet jaloersch
Van de kleine zus.

Allen zijn zij ziek geweest,
Met Mama en mij;
Thans is t haast herstellingsfeest,
Gij behoort er bij.

Daarom dan, in vredes naam,
Blijf nu waar gij zijt
Zeegne God ons al te zaam,
Voor een langen tijd!


Ingezonden op: 19 July 2001