Niet dat wij de vlijt betreuren
Van een dichterlijke jeugd,
Of de kunst te nietig keuren,
Dat het hart zich des verheugt.
Neen geen lente was verloren.
Die der dichtkunst werd gewijjd.
BILDERDIJK.

ALEIDES VERJAARDAG.

20 MEI 1839.

Wees vroolijk, essche- en elzenbosch
Der Nijenburghsche dreven!
Schud, iepenkroon! uw blaadren los,
Waardoor de windjes zweven.
Blink in de zonne, beukentop!
Die al uw goud doe gloren;
Steekt, popels! groene spitsen op.
Besneeuw u. hagedoren!
Riek geurig, dunne berkentak!
En linde! sprei uw looverdak,
Waardoor geen zon kan boren.

Voor wie uw dichter is verloofd,
Is t lentefeest gekomen.
Gij duifjes, klapwiekt om haar hoofd,
Die nestelt in dees boomen!
Gij windjes, leegrend dicht bij huis,
In duistren den verscholen,
Begroet haar met een zacht gesuis,
Van uit uw groene holen!
En, als zij uittreedt, weeldrig mos!
Schud mollig op uw bruinen dos,
Gepurperd met violen.

Klein bloembed! vreugde van haar ziel
En toppunt van haar wenschen,
En dat zij, met een stag gekniel,
Ziet groenen en verflensen;
Verruk haar met een blijden schat
Van knoppen die beloven,
Uitglurende door t dichte blad,
Met wit en rood vanboven!
En bloem begeert zij voor haar vlecht,
En een, die zij in t knoopsgat hecht
Van die haar t hart mocht rooven.

Kom op haar feest haar blij gezicht
Met blijder glans verkwikken,
Zacht moederoog, en vroolijk licht
Van kinderlijke blikken!
En gij, mijn liefde! vier uw vreugd,
En krans uw hoofd met stralen;
Doe op haar rozeroode jeugd
Uw heldre daging dalen;
Wek in haar oog den klaarsten sprank,
En doe in t sneeuwwit van haar wang
Het helderst blosje pralen!

Maar leg ook, vriendlijker dan ooit,
Op dees verheugden morgen,
Uw hand op t voorhoofd, niet geplooid
Door rimpelen van zorgen;
Lok s Hemels zegen van omhoog,
Op d adem der gebeden,
Verbid de tranen voor haar oog,
De dorens voor haar schreden,
En zij haar weg door u bespreid
Met zachtigheid op zachtigheid
En duizend teederheden.


Ingezonden op: 19 July 2001