NA DEN DOOD V AN MIJN JONGSTE ZUSTER.

Bogen zes en zestig jaren,
Vader! nog uw hals niet krom,
Scheen een vroolijke ouderdom
Immer nog uw kracht te sparen
Zoo moog God uw hoofd bewaren,
Na het vallen van den slag,
Op dien driewerf droeven dag,
Die een vreugd van twintig jaren
In uw arm bezwijken zag!

Rekten zich uw zwakke krachten.
Trouwe Moeder! voor een kroost,
Opgewassen tot uw troost,
Na zooveel doorwaakte nachten
Zoo moog God uw leed verzachten,
Nu zoo ongedacht een zwaard
Door uw matte ziele vaart,
Bij het stijgen uwer klachten
Om een dochter lief en waard!

Waren ’t moeielijke schreden,
Toen gij, van uw zoons omringd,
Achter hare lijkbaar gingt,
Schreden, die u zwoegen deden —
Zoo verhoore God de beden,
Vader! die ons hart dien stond
Tot den Hemel-vader zond;
Troostend zie Hij naar beneden,
En schenk balsem bij de wond!

Was ’t een pijnelijk verbeiden,
Als wij keerden van den tocht,
 Waar gij ons niet volgen mocht
Om te zien waar wij haar leiden
God moge u de vreugd bereiden,
Moeder! dat ge uw jongste kind
In den hemel wedervindt,
Waar geen dood of graf zal scheiden,
Waar men blijft bij wat men mint!

Derwaarts zien de schreiende oogen,
Derwaarts trekke ’t brekend hart,
Wijst de grafsteen, roept de smart;
Daar zal God de tranen drogen;
Derwaarts is zij vroeg getogen,
Als „de Heiland, die niet sliep,” (*)
In haar slaap haar tot zich riep,
O, hoe zal zij Hem verhoogen.
Die ons deze droefheid schiep!

Moest voor ’t eerst de rouwgalm stijgen
Uit ons veelgezegend huis,
Deed nog nimmer zulk een kruis
Van zijn last de boezems hijgen
Ach, zoo geve ons God te zwijgen,
Ja, te aanbidden in het stof,
Schoon Hij ons in ’t liefste trof;
Hij doe kracht naar kruis verkrijgen!
Hem, die gaf en nam, zij lof!


Ingezonden op: 19 July 2001