GOVERT-OOM.

Zie de schilderij van Schalken, In het Rijks-museum te Amsterdam.

Govert-Oom had Flip en Marten
’t Avondstond te gast genood.
Dat verheugt die jonge harten.
Want hij schafte meer dan brood.
Oude Zwaan de brij zou koken;
Och! het heugt ons allegaar,
Hoe we sprongen, als we ’t roken
En de meid zei: „Straks is ’t klaar”.

Als de jongens dapper smulden,
Was Oom Govert in zijn schik,
Daar ze mond en lepel vulden
Schier in ’t eigenst oogenblik.
„Jongens,” vroeg hij, „ken je een eten,
„Dat bij zulk een kostje haalt?”
Flip betuigt het niet te weten;
Maar broer Marten zwijgt en draalt.

„Wacht reis. Oom!” zei kleine Flipje,
Schoon hij nauw den tijd zich gunn’,
Met den lepel aan zijn lipje:
„Schaf een eitje, zacht en dun!
„Dat ’s zijn lekkerste verlangen;
„t’ Ochtend heeft hij ’t nog gezeid ”
Daarop bloosden Martens wangen,
Enkel uit bescheidenheid.

Op een knikje van oom Govert
Wordt terstond door de oude Zwaan
’t Assendelver nest veroverd
En de buit in ’t net gedaan.
Govert-Oom telt effen honderd;
Marten doet als merkt hij ’t niet,
En hij toont zich heel verwonderd
Als zijn Oom hem ’t eitje biedt.

Aanstonds, zonder veel te spreken
Breekt de knaap den brozen dop.
Govert.Oom zet, op dat teeken, ,
Blij van hart, ziin fokjen op.
„Toe maar, Jongen! smul terdegen!
„Is ’t van dunte naar je zin?
„’k Heb er meer nog; dat ’s een zegen;
„Loopt het door wellangs je kin?”

Marten liet niet vruchtloos nopen.
Met  een glans op ’t blij gezicht,
Liet hij, braaf met struif bedropen ,
Van de drie geen eitje dicht. ,
’t Was te veel! Maar ’t was een jongen.
Govert-Oom genoot als hij;
Flipje-broer was even blij .
Vol van eieren en brij,
Zijn die twee naar bed gesprongen.
Govert-Oom zat wel een uur
Nog te kijken in het vuur.
Toen hielp Zwaantje ook hem te bedde;
Lange dienst maakt onbeschroomd:
„Oompje,” zei de meld, „ik wedde
„Dat je van de jongens droomt.”


Ingezonden op: 19 July 2001