JACOBA VAN BEIEREN.

Wat maakte, in ís lands historieblaren,
Het oordeel voor Jacoba zacht?
Wat doet een liefdruk nageslacht
Met zeekre teerheid op. haar staren,
En met een mond, die goelijk lacht?
Haar sierde, boven Hollands Graven,
Wel geen uitnemendheid van gaven,
De landzaat prees haar goed noch groot;
Geen krijgsmoed schonk haar zegepralen,
Geen amazonisch roembehalen
Wierp ooit haar lauwren in den schoot;
Haar staatzucht zette Hollands palen
Niet uit, maar voor den vijand bloot;
En ít bloed van trouwe landgenooten,
In vloekbren burgerkrijg vergoten,
Verft haar de mantelzoomen rood:.
Ja, op haar naroem kleeft, afschuwlijk,
De schande van een dubbel huwlijk,
En Beylings wreede marteldood.

En echter neemt haar met ontfer:ming,
Uit heel zijn achtbre Graven-rij!
Een goedig nakroost in bescherming,
Haar, lievling van de poŽzij!
Zij boeit in verzen en verhalen,
Haar naam vervult de schouwburgzalen.
PoŽet en schilder put zich uit
Om haar op ít lieflijkst af te malen,
Als schoone weduw, teere bruid.
En welke namen wij vergaten, ,
Verguilsden, hoonden, leerden haten
Zij vond genade in ieders oog;
Met tranen weten kind en grijzen
Het huls te Teylingen te wijzen,
Waar eens haar laatste hoop vervloog.

O, Zoek bij staatspartij en veeden,
Sinds lang vergeten of verdoofd
Van dit. verschijnsel naar geen reden,
Waarin geen sterveling gelooft.
Zoo ít kroost van Kabeljauwen Hoeken
Om strijd haar vrijspraak schijnt te zoeken
. ít Is dat ze een VROUW was, jong en schoon;
En, was haar dwaasheid menigvuldig.
Alleen door liefde en hartstocht schuldig
Eu ongelukkig door een kroon.


Ingezonden op: 19 July 2001