AAN MR, JACOB VAN LENNEP

bij ít in ít licht verschtjnen van zijn EDUARD VAN GELRE.

In weerslag op zijne mij in 1835, na de uitgave van KUSER toegezondene dichtregelen.
(Zie Dl. I. bl. 333, 4).

Uw citer had weleer in onvolprezen zangen
Der vaadren grootsche da‚n vermeld aan ít Vaderland;
Gij hadt in ít wilgeInhout dat speeltuig opgehanqen
En greept de prozastift met onverzwakte hand; ,
Dat gaf mijní jonkheid moed, mijní prillen lentejaren;
Vermetel trad ik op, schoon met ontstemde luit,
En zoo een zangziek volk een oor had voor mijn snaren,
Uw
snaren stortten toen geen schooner galmen uit.
Uw zwijgen niet alleen, uw juichen in mijn pogen,
Verwierf me een weinig roems, die ít hart mij kloppen deed.
Op eens! daar dreunt de klank van ít oude dichtvermogen,
De wijs van ELK ZIJN WIJS, die niemand ooit vergeet.
Van Lennep! mooi is ít niet dat gij mij hebt bedrogen,
Maar mooi en meer dan mooi is ít lied, waardoor gij ít deedt.

22 Sept. 1847.

Ingezonden op: 19 July 2001