KERSTAVOND.

TROOST DER ARMEN.

Wat buigt ge u neder, o mijn ziel,
Waarom dus gansch verslagen?
Alsof op u al t donker viel
Der donkerste aller dagen!
Besterft ons lamplicht op zijn pit,
Die uitgaat van de droogte,
Wij hebben beter licht dan dit,
In d OPGANG UIT DE HOOGTE. (*)

De middagkost was zeker schraal;
Elk onzer nam hem zuchtend;
Niets bleef er voor een avondmaal,
En niets voor morgenuchtend.
Maar beter lijfs- dan zielenood,
Zoo de aardsche broodstaf faalde:
Kom, heffen we aan van t Hemelsch Brood,
Dat uit den hemel daalde!

Een handvol kools, wat havergort
Moest onze jongens voeden;
Hun zak is hard, hun deken kort;
Toch slapen zij, de bloeden!
Vrouw! klaag niet tot den hemeltroon,
Hoe arm ons vijftal t hebbe,
Denk aan Gods eigen lieven Zoon,
Die neerlag in de krebbe.

O Jezus Christus! Zoon van God,
Voor ons in t vleesch gekomen!
Hebt Gij het in een beestenkot
Op aard voor lief genomen:
Dat doet het hart van d arme goed,
Dien Gij uw heil verkondigt,
En zonder vreeze naadren doet,
Al heeft bij veel gezondigd.

De Wijzen brachten wierook, goud,
En mirrhe, uit verre landen;
Maar wij, wij komen even stout
Tot U, met leege handen.
Arm zijn wij, altijd arm geweest,
Dies wij wel dikwijls morden;
Gij gaaft ons arm te zijn van geest;
Toen zijn wij rijk geworden.

Ja, rijk wordt die zijn armoe kent,
Zijn naaktheid in Gods oogen,
En zich tot U om uitkomst wendt,
Om dekking uit den hoogen;
Dien Gij een honger kennen doet,
Die naar uw brood leert smachten,
En, daar Gij hem ten leven voedt,
All andren nood verachten.

O Jezus, die uzelven gaaf t,
Zie bij uw krebbe ons knielen!
Een arme vrouw heeft U gelaafd:
Gij laaft onze arme zielen.
Uw tengre hand is rijk gevuld
Met schatten van genade,
En breekt den kerfstok onzer schuld,
Dat ze aan ons heil niet schade.

Zij wendt den vloek en t oordeel af,
Verzegelt ons den vrede,
En geeft ons een beproefden staf
Op alle paden mede.
Welzalig die, in dezen nacht,
Uw kinderhandje kusten,
Maar zaalger die op t geen het bracht
In blind geloove rusten!

Die U zijn Heiland noemen mag,
Zijn leven uit de dooden,
Dien troost gij met een zoeten lach
In alle soort van nooden.
Dien zegt Gij, als hij t laatste brood
Voor hongrend kroost zal breken:
Uw Vader kent ook dezen nood;
Gij zult niet vruchtloos smeeken.

Wat buigt ge u neder, o mijn ziel?
God voert door donkre wegen,
Maar t heil, dat u te beurte viel,
Is pand van allen zegen.
De ster, die stilstond boven t huis,
Waarin t kind J ezus schreide,
Verlicht ook elke schaamle kluis,
Waar t hart Hem plaats bereidde.

Gods heerlijkheid bestraalt den nacht,
Gods licht verscheurt Gods wolken:
Herhaal de boodschap u gebracht,
De blijdschap aller volken!
Gods Englen heffen t feestlied aan,
Tot lof van Gods erbarmen;
Zij hebben t ook voor u gedaan;
Het is een lied der armen.

Geeft, hoogste heemlen! geeft God eer!
Ziel, offer hem uw smarte!
Gods vrede daalde op aarde neer.
En daalde ook in mijn harte!
Om Jezus wil toont God in t kroost
Van Adam welbehagen!
Outfermer! bij zoo rijk een troost,
Vergeef een zondaar t klagen.


Ingezonden op: 19 July 2001