EEN VIERTAL PSALMEN.

III.

LIJDENSPSALM.

(Jesaia LIII.)

Wie heeft op aard de prediking gehoord,
De prediking van ít vleeschgeworden Woord,
Den Zoon van God, op Golgotha vermoord?
Wie durft gelooven?
Wie ziet in Hem Gods reddendeí arm, van Boven
Tot ons gestrekt?
Wie durft z Dn kruis belijden?
Wiens hart zich in den Lijdenden verblijden,
Met smaad bedekt?

Een rijsje, dat zoo woest een storm bewoog,
Een wortel uit een aarde, dor en droog,
Had geen gedaante of schoonheid in ons oog.
Als wij Hem zagen.
Zoo was daar niets dat oogen kon behagen;
Hij was veracht,
De onwaardigste der menschen:
Wie durft zich Hem tot Zaligmaker wenscheil?
Hij was veracht.

O Man van smert, dat ieder voor u kniel!
Gij droegt aldus de krankheid onzer ziel;
ít Was onze smart, die op uw schedel viel;
Ons overtreden
Heeft U verwond; om de ongerechtigheden,
Door ons begaan,
Zijt ge in dit leed gekomen;
De straf, die ons den vrede toe doet stroomen,
Die naamt Gij aan.

ít Is heil, wat uw verbrijzling ons verkondt;
Uw striemen zijn genezing onzer wond;
Wij dwaalden als verloren schapen rond,
Op eigen paden;
De Heer heeft U met onzen last beladen;
Gij hebt geboet;
Niet Gij, slechts wij zijn schuldig;
Maar Gij, Gij stort gewillig en geduldig
Uw dierbaar bloed.

Gelijk een lam, dat stil ter slachtbank gaat,
Gelijk een schaap zich zwijgend scheren laat,
Zoo deedt ge u w mond niet open onder ít kwaad ,
U overkomen.
God heeft U uit het oordeel weggenomen,
Als ge elke toog
Zijns bekers hadt gedronken,
En ít zondig volk gerechtigheid geschonken,
In ís Heeren oog.

Toen was ít volbracht! Volbracht voor zondaars, Heer!
Gij buigt het hoofd tot uwe ruste neer;
Geen oneer treft uw heilig lichaam meer,
Geen smaad der boozen;
En schoon mí uw graf gesteld heeft bij godloozen,
God wreekt uw recht:
De liefde en de eerbied dragen
Uw lijk van ít kruis, en schreiende oogen zagen
Het weggelegd.

O Heiland, dus gefolterd voor mijn kwaad!
O Heilige, om mijn schande dus gesmaad!
Wat spruit er uit uw graf een heerlijk zaad
Van eeuwig leven!
Hoe veler ziel werd U van God gegeven
Voor de eeuwigheid,
Om de eeuwige eer te deelen,
U, die U tot een offer gaaf t voor velen,
Bij Hem bereid!

ít Verloste volk verheft tot U zijn hart,
Rechtvaardige, die zonde voor hen werd!
Het zegent al uw wonden, smaad en smart!
Gij hebt geleden
Voor snooden; Gij voor vijanden gebeden;
Gij hebt gesmacht.
Moest Gods nabijheid derven,
Hun ziel ten troost in leven en in sterven;
HET IS VOLBRACHT.


Ingezonden op: 19 July 2001