NAAR JERUZALEM.

AAN MEVR.

Met een exemplaar van Helons Bedevaart naar Jeruzalem.

Wat schenk ik u, daar gu verjaart?
Eens zonen Jacobs Bedevaart
Ter heiligste aller aardsche steden.
O wel hem, wien des Heeren stem
Doet opzien naar de zaligheden
Van t hemelsche Jeruzalem!

Wie deze stad het harte trekt,
De reis zij kort of langgerekt,
En ga door blude of donkre dalen:
Zij heffen moedig t vroolijk hoofd;
Zij weten, aan wiens hand zn dwalen.
Zij, in wiens woord hun hart gelooft.

Die uit den hemel op hen ziet:
De Wachter Isrels sluimert niet;
Zijn vleuglen dekken al zijn kinderen;
Zijn schaduw wandelt hun op zij;
De hitte zal hen s daags niet hinderen;
De nacht trekt schaadloos hun voorbij.

Zij naadren, naadren meer en meer;
De Psalm des Optochts looft den Heer,
En brengt hun zegenbede en groeten,
Vooruit, in t godlijk Salem aan,
Alsof, o Godsstad! hunne voeten
Reeds in uw gulden poorten staan!

En leggen zij den wandelstaf
Terneder en het reiskleed af,
Waar zij dat heil genieten mogen:
Hoe wordt hun t moede hart verfrischt,
Als alle tranen van hun oogen
Door God zelf worden afgewischt.

Ziedaar het aardsch en hemelsch lot,
Dat ik u toebid van dien God,
Om wien zijn heilgen zieh vergaderen.
Van Hem zij onze hulpe alleen!
Tot Hem moet alles biddend naderen;
Hij is een hoorder der geben.


Ingezonden op: 19 July 2001