AAN RACHEL.

(Treurdichtspeelster ) .

Draagt gij den naam, zoo zacht, zoo schoon,
En zijt ge een dochter der geliefde,
Die Izaaks verbannen zoon
Vertroosten mocht van wat hem griefde;
Zijt gij geboren uit het bloed
Van haar, voor wie hij veertien jaren,
Die hem als zooveel dagen waren,
Eens anders schapen beeft gehoed;
Een kind dier lieve en lievenswaarde,
Die hem zijn lieven Jozef baarde,
Maar onder Benjamin bezweek;
Voor wie bij, in de kleine streek,
Die Efrata van Bethel scheidde,
Een rustplaats aan den weg bereidde;
Die nooit uit zijn gedachten week;
Zijt ge uit die koningsheup gesproten,
Die godlijke eere heeft genoten,
In t worstelperk aan Jabboks beek;
Vloeit u t gezegend bloed door de aderen
Van honderd uitverkoren vaderen;
Zijt ge uit het heilige geslacht
Der godsbeminden, godgewijden,
Dat, in de volheid van Gods tijden,
D Immanuel heeft voortgebracht;
Ligt al de plechtige ernst van t Oosten
Op t donker voorhoofd, dat ge ons toont,
En komt uw zonnig oog ons troosten,
Van al de flauwheid, die hier troont;
Verraden houding en gebaren
Een aangeboren vorstenrang,
En galmt ons, in uw stem, de zang
Van Sions maagdelijke scharen;
Is daar een weerschijn in uw geest
Van al de lichten, al de krachten,
 Die in den tijd der voorgeslachten
De roem der Natie zijn geweest;
Verschijnt ons, tusschen uwe vlechten,
Een glans van grootheid en een gloed,
Om t pleit voor Isrel te beslechten,
Trots onbesneden overmoed;
Schijnt, onzen tijden tot een teeken,
De dochter Sions opgestaan,
En komt ze, ook in uw roem, zich wreken
Voor al den hoon haar aangedaan
En is er bij de breede scharen
Bestendiger bewonderaren,
Wier menigte om uw schreden woelt,
Geen enkel hart, dat dit gevoelt?
Ontroert gij niemand, onder allen,
De ziel als dochter Abrahams,
Als spruit des uitverkoren stams,
Nu van Jehovas gunst vervallen?
Zoo ge elken avond nederziet
Op duizenden gedoopte hoofden,
Wier lippen den Messias loofden,
Dien uwe blindheid nog verstiet,
Zegt niemands bloedend hart zich: Deze
Is hem een zuster naar den vleesche,
Maar Rachel kent dien Jozef niet!

O Dochter Sems! als ge op uw lokken
Den haarband der vorstinnen drukt,
Om t hart van koningen te schokken,
Van t toovren uwer kunst verrukt;
Als ze optreedt om de rol te spelen
Der edelsten uit Japhets bloed,
Is daar geen stem in uw gemoed
Die andre rangen uit zou deelen?
Zijn daar geen driften in uw borst,
Die anders spreken, anders woelen
Dan westersch harte kan gevoelen?
En blaakt u niet een groote dorst,
En voelt ge u t kloppend hart niet persen,
En roept uw ziel niet overluid
Naar goddelijker dichtgeest uit,
Dan die u toegalmt in de verzen
Van Javans nagespeelde luit?
Verzucht gij niet naar ruimer snoeren
Dan van t Europisch maatgedicht,
Dat gij zoo kalm beheerscht, wellicht
Als niet geschikt uw ziel te ontroeren,
Als niet in staat u mee te voeren
Tot waar de kunst voor t leven zwicht?
O Telg der priestren en profeten,
Wie de ongewijde lauwer wast,
Heeft nooit uw hart u dien verweten,
Als voor uw schedel ongepast?
Ontwaakt er, als de kreten rijzen,
Waarin uw lof zoo luid weerklinkt,
In u geen zielszucht, die u dringt
Om al die glorie af te wijzen?
Is daar geen hoogheid In uw hart,
Waardoor u al die grootheid smart?
Geen hoogheid, die den smaad kan kiezen,
Waaronder t kroost van Abram bukt,
Maar niets van d adel wil verliezen,
Door God hem in de ziel gedrukt?
Ja, in vernedering en lijden
Den volken wezen tot een spel,
Dat is uw lot. o Isral!
Daarin vervullen zich uw tijden;
Dat is het erf-lot van uw schuld,
Waarin een groote ziel kan deelen
En waardiglijk haar plaats vervult;
Maar op hun heidensche tooneelen,
De rol der heidenen te spelen
Geen dochter Rachels, die het duldt!
En zoo zij t duldt in Ramas velden
Ruischt daar een klacht op d avondwind,
Om Rachels boezemsmart te melden,
Beweenend haar verloren kind.

Gij hoort het niet. Gij hoort het galmen
Eens lofs, dien u een wereld brengt.
Als zij uw lauwren strooit en palmen,
Met parelsnoeren ondermengd.
Maar somtijds, in uw eenzaamheden,
Als gij, vermoeid van kunst en eer,
Uzelve zijn moogt, voor een keer,
Denkt gij terug aan t bang verleden,
En ziet uw haavloos hutje weer,
Waar gij, verloren en vergeten
In t luid getier der groote stad,
Die brood noch deernis voor u had,
Uw jeugd in kommer hebt gesleten.
Nog heugt u t lijden van uw hart,
Als t zich bewust werd van zijn krachten,
En aanving met een vreemde smart
 Naar t onbekende goed te smachten
Dat nooit uw oogen duidlijk werd.
Nog heugt u, hoe u t denkbeeld krenkte,
Dus arm te zijn en onbekend,
Maar hoe een goede geest u wenkte
Daar kwam een eind aan deze ellend;
Uw brandend hart zou ademhalen,
Zou zijn verlangens zien geboet;
U zou een heldre zon bestralen,
En rozen blozen voor uw voet.
Maar hoe zich uw verbeelding pijnde,
Dat zij het woord des raadsels ried,
Zij vond het in haar droomen niet;
Dies uwe jeugd weemoedig kwijnde,
Omtastende in een blind verschiet
Waarover zich een nevel wolkte,
Die echter alles hopen liet
Ha, hoe het sedert zich bevolkte
En in wat glans gij t heden ziet!
Thans moogt gij in uw armen vatten,
Wat vr u zweefde ver en dof.
Egypten offert u zijn schatten,
En Babels palmbosch ruischt uw lof.
Der kunsten nectar komt u laven,
En uw versmachting is geweest;
De zelfbewustheid van uw gaven
Verheft uw schedel onbedeesd.
Gesloten deuren vallen open;
Daar ligt de wereld van uw hopen
En gij beveelt haar door uw geest.

Maar ook die wereld heeft haar nachten.
Maar ook dat leven kent een dood;
Daar blijft een onverklaarbaar wachten,
Een onvervulde zielenood.
Nog komen zij, die oogenblikken,
Waarin de sterkste geest bezwijkt,
Wie heeft dan teugen die verkwikken
Wie, wat naar lafenis gelijkt?
Geen ziel kan ooit zichzelf bezielen
Wanneer zij wegzinkt zonder moed!
Geen wereld, die een ziel voldoet!
Schoon al heur goden voor haar knielen
Nog grijpt zij naar een meerder goed;
Nog kan haar, bij de gouden vruchten,
Haar mild geworpen in den schoot,
Wel hongren naar een voedend brood;
Nog overvallen haar de zuchten
Naar stille wateren van rust,
Te midden van haar schoonsten lust;
En welk genot haar mag bekoren
In t vrij gebied, dat haar behoort,
Niet altlid blijft de wensch gesmoord,
Om zelve een Meerdren toetehooren,
Een Meerdren, die die vrijheid stoort!
Een Meerdren! Ja, maar meer dan allen
En alles wat zij om zich ziet;
Met zulk een wil zij staan of vallen,
Maar met haar eigen wereld niet.

O Rachel! Toen uw zwarte lokken
U slordig hingen voor t gezicht,
Toen heeft zich, naakt en mager wicht,
t Meelijdend hart u aangetrokken,
En uit den nacht gebracht in t licht.
De goeden, de eedlen, en de grooten
Wedijverden voor u in gunst,
En door de koningen der kunst
Werd u de weg des roems ontsloten;
Elk hunner gaf u wat hij had;
Elk hunner wees u wat hij kende;
Ondankbaar zoo gij t ooit vergat!
Maar hadde u in die groote stad,
Als ge in de dagen dier ellende
Uw bedelbrood met tranen at,
Eens Christens mond het brood geprezen,
Dat uit den hemel is gedaald,
Uw ziele bij haar God bepaald,
Hij hadde u beter dienst bewezen,
Waarbij geen andre goedheid haalt;
En, mooglijk, ware u t licht gerezen,
Dat om het kruis van Christus straalt!

Het strale u nog! Het overschijne
Den lichtglans, waar uw hoofd van blinkt;
Totdat gij aan zijn voeten zinkt,
Voortaan geen andre, dan de zijne!
Totdat gij roept met luider keel:
Mijn Heer, mijn God, mijn rots, mijn deel!
Totdat gij nederwerpt de kronen
Der Phedras en der Hermionen,
En elke rol en iedren schijn
Vergeet, om zondares te zijn;
Totdat uw hand de Grieksche tressen,
Naar Joodsche wijze, op t hoofd ontsnoert,
En grijpt naar de alabaster flesschen,
Door dankbre liefdedrift vervoerd;
Tot gij de smaadheid uwes Heeren
Zult boven iedren krans begeeren,
En dragen Hem het kruishout na,
Die t droeg voor u, op Golgotha;
Totdat gij verre zult verkiezen
Al Faros gunsten te verliezen,
Mishandeld met het volk van God,
Voor ijdelheid en zingenot;
Totdat ge een wereld zult beklagen,
Die roemt in de evangelieleer,
Maar mooglijk luide rouw zal dragen,
Als ze u moet afstaan aan uw Heer.


Ingezonden op: 19 July 2001