AAN ROBERT HENDRIK ARNTZENIUS,

NAAR BATAVIA VERTREKKENDE.

U zong de zee een vleiend lied;
Gij zaagt slechts lachjes in haar rimpelen,
Slechts heldre starren in t verschiet,
En geeft u op aan Hollands wimpelen,
Terwijl uw hoop naar t Oosten ziet.

U volgen langs den oceaan
En zusterliefde en moedersmarte;
Het trouw gebed, de stille traan,
En menig zucht van t angstig harte.
In zulk geleide zult gij gaan.

Wel hadt gij gaarne nog vooraf
Uws vaders zegen willen vragen,
Maar, rust hij ook sinds lang in t graf,
Zijn achtbren naam te mogen dragen,
Dien zegen nam geen dood u af.

O voer hem, waar het lot u voert,
Met eer voor aller braven oogen,
Onslaakbaar aan den plicht gesnoerd,
Wat grond uw schreden drukken mogen,
Wat zee zich onder u beroert.

En laat gij ook aan Hollands strand
Zoo menig ziel in weemoed achter:
Haar lot is in des Heeren hand;
En boven is de trouwe Wachter,
Voor u op zee, voor haar aan land.


Ingezonden op: 19 July 2001