ZOMERNACHT.

L’été lorsque le jour a foi, de fleurs couverte,
La plaine verse au loin un parfum enivrant,
Les yeux fermés, I’oreille aux rumeurs entr’ouverte
On ne dort qu’a demi d’un sommeil transparent.
Les astres sont plus purs, l’onde parait meilleure;
Un vague demi-jour teint le dôme éternel;
Et l’aube douce et pâle, en attendant son heure,
Semble toute la nult errer au bas du ciel,
VICTOR HUGO.

De heuvel werpt zijn schaduw over ’t dal;
Een zoete geur, opwalmend naar den hoogen,
Omhelst het windje, uit liefde toegevlogen,
Als ’t kussend langs de bloemen strijken zal,
En, suizende door ’t elzenloof getogen,
Den nachtegaal verrast in ’t zacht geschal,
Of, van zijn lied nog trillende en bewogen,
De wiekjes doopt in gindschen waterval,
Waarnaar de wilg zijn twijgen houdt gebogen.

Gij dommelt in halfsluimerende rust;
De balsemlucht bereikt u van de kruiden;
Der vooglen zang schept u een droom van lust.
Daar ’t zoet geruisch van vredige geluiden
Tenhalve u wekt, maar aanstonds weder sust;
Of blijft, als ik, bij ’t open venster dralen.
’t Is of u ’t blauw des hemels tegenlacht;
Der starren licht lijkt helderder te stralen;
Het duister zelf is vriendelijk en zacht
En niet bekwaam verschrikkingen te malen;
En de ochtend schijnt alreeds den ganschen nacht.
Verlangende aan de kimmen om te dwalen.


Ingezonden op: 19 July 2001