ZOMERREGEN.

Kom, liefelijke zomerregen,
Waarbij de boezem ademhaalt,
Kom suizend, ruischend neergezegen,
En zegen de aarde daar ge op daalt!
Den zegen, die haar klacht zal stillen
En leven geven aan haar borst,
Nu, daar ze onmachtig hijgt van dorst,
Moogt ge aan geen woeste zee verspillen,
Dient aan geen zandig duin vermorst.
Kom tot ons over op uw wieken!
Het groene bosch ziet grijs van stof,
De rozen sterven in den hof,
De glans der leliekroon is dof:
Doe gij ons de oude geuren rieken,
Verfrisch de kleuren voor ons oog,
Help overeinde wat zich boog,
Roep bovenal op welde en akker
Het ingesluimerd leven wakker, .
En wisch op al het groene kruid
De sporen van het lijden uit!

Daar dreigt daar nijgt. daar komt gij dalen!
Daar trekt gij ’t landschap tegemoet
Met heel uw hemelsch’ overvloed;
Daar storten zich uw milde stralen
Met hartverkwikkend ruischen uit;
Zoet als het troostelijk geluid
Van die aandoenlijkste aller talen,
Waarin een moederlijk gemoed
Zich uitstort voor haar eigen bloed,
Als ’t kindje neerligt in zijn zwakte,
En met een kwijnend oogje spreekt,
En met een droevig lipje smeekt,
Om ’t vocht, waarnaar zijn hartje snakte;
Zoet, als het zacht en smeltend lied.
Dat hopende eeuw aan eeuw herhaalde,
En thans mijn boezem tegenvliet,
Alsof het met uw dropplen daalde:
„Hij zal gelijk zijn aan den regen,
„Die daalt op ’t late gras,
„Aan droppels, die met milden zegen
„Besproeien ’t veldgewas.”

— Mijn ziel, o God! heeft ondervonden
De waarheid van dat woord,
Als, op haar uitgedroogde gronden,
Die regen werd gehoord;
Wanneer ze hebben ingedronken,
Dien dauw, dien troost, die kracht,
Uit uwe hemelen geschonken
Aan alles wat versmacht;
Verkoelend, lavend en doordringend
Tot in den diepsten schoot,
En op zijn nadering ontwringend
Het leven aan den dood.
Toen hief het door de zon verschroeide 
Zich uit zijn kwijning op,
En ’t voor zijn tijd reeds uitgebloeide
Vernieuwde blad en knop;
De sluimerende beek werd wakker,
Haar stokkende ader zwol,
De leege halmen, op den akker
Verwaarloosd, schoten vol;
De wonde, door de hagelstriemen
Hun toegebracht, genas,
En in de werkelooze kiemen
Ontwaakte een nieuw gewas;
In ’t kloppend harte werd geboren
Deze ééne wensch: o Heer!
Mocht op het veld mijn handvol koren
Slechts ruischen tot uw eer!


Ingezonden op: 19 July 2001