DRIE JONGELINGEN.

(NAAR UHLAND.)
Drie jongelingen togen dwars over den Rijn;
In gindsche kleine herberg, daar moeten zij zijn.

„Laat proeven, kasteleinse! uw besten wijn en bier,
En breng ons zonder dralen uw mooie dochter hier!”

„ „Mijn bier en wijn, mijnheeren! zijn krachtig, frisch en klaar;
Maar ach, mijn mooie dochtertje, ligt op de zwarte baar.” ”

De knapen traden binnen, en maakten geen gedruisch;
Daar lag het mooie dochtertjen, in ’t enge planken buis.

En de eerste jongling rukte den hoofddoek snel omhoog,
En zag het mooie dochtertje . . . . Een traan blonk in zijn oog.

„Ach, waart gij blijven leven,” zoo sprak bij, „beeldschoon kind
„’k Had van den dag van beden u teer en trouw bemind !”

De tweede jongling haalde den hoofddoek weder neer,
En keerde zich naar ’t venster toe, en weende zoo zeer:

„Ach, ligt gij daar ter neder, mijn allerliefste schat!
„Ik heb zoo menig jaartje u teeder liefgehad.”

De derde heeft den hoofddoek weer spoedig weggerukt.
En op haar bleeke lippen een stijven kus gedrukt:

„U minde ik lange jaren, u min ik ook nog nu.
„Mijn lief, mijn uitverkoren! voor eeuwig min ik u.”

 


Ingezonden op: 19 July 2001