- Dit stukje, onder den naam van Perzische Wereldbeschouwing, in
den Muzen-Almanak van 1849 opgenomen, is ontstaan uit de lezing van het volgende in VON SCHUBERT’S Geschichte der Seele (S. 59):
Die Wasser, so sagt ein alter persischer Spruch, sie rauschen vom Gebirge herab und
eilen hinaus in alle Lande, suchend ob sie den Herrn der Erde fanden; die Flamme des
Feuers, sobald sie erwachet, schaut den Boden nicht mehr an, sondern geraden Zuges
richtet sie sich empor zum Himmel ob sie den Herrn des Himmels erblicken möchte; die
Erde, sie hat hier, sie hat dort die hohen Warten der Gebirge aufgestellt;
diese ragen weit empor und schauen sehnend hinauf und umher, ob der Richter der Welt
noch nicht komme?”
- Misschien weten niet alle lezers terstond wat een Deuvik is.
’t Is de houten stop, waardoor een vat gesloten blijft, totdat zij plaats
moet maken voor een kraan, waardoor zich de inhoud ontlast.
- Lukas XIX. 37
En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der
discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de
krachtige daden, die zij gezien hadden; (SVV)
- Mattheus XXI : 15
Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de
kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat
zeer kwalijk; (SVV)
- Johannes XII : 20, 21.
Jn:12:20: En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op
het feest zouden aanbidden;
Jn:12:21: Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden
hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien. (SVV)
- Spreuken IX : 13 — 18.
Spr:9:13: Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
Spr:9:14: En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der
stad;
Spr:9:15: Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken,
zeggende:
Spr:9:16: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
Spr:9:17: De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
Spr:9:18: Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten
der hel. (SVV)
- Spreuken XX : 20
Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte
duisternis. (SVV). (SVV)
- Naar mijne voorstelling van de volgorde der Kruiswoorden,
Is dat tot den
Medegekruisigde aan het woord tot de Moeder voorafgegaan.
- TOELICHTING.
Nu laat hem Oome Cruquius enz.
Welk Nederlander weet niet, dat de drie groote Stoomwerktuigen waardoor de 40,000
bunders land van het Haarlemmer Meer aan den Staat en den Landbouw geschonken zijn,
genoemd zijn naar de drie mannen uit drie eeuwen, wier namen overvloedig verdienen
voor altijd met dien van dezen Polder vereenigd te blijven? 1º. Dat aan de Kaag, naar
(JAN ADRIAANSZ.) LEEGHWATER, Molenaar te
Rijp in Noordholland, schrijver van het Haarlemmer Meerboek (1641). eerste
ontwerper van een Plan tot uitmaling; 2º. dat, bij Heemstede, naar (NICOLAS) CRUQUIUS, met JAN NOPPEN,
Toeziener, en MELCHIOR BOLSTRA, Landmeter van Rijnland. als
hiertoe gelast, opstellers van een uitvoerig Plan wegens de bedijking der
Haarlemmer Meer, hetwelk hij in Juli 1742 aan Dijkqraaf en Hooqheemraden
van Rhijnland overhandigde; 3°. dat nabij Halfweg Haarlem en Amsterdam, naar
(F. G. BARON VAN) LIJNDEN (VAN
HEMMEN), Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, schrijver van een
allerbelangrijkste en uitvoerige Verhandeling over de Droogmaking der
Haarlemmermeir (1820), waarin almede een plan tot de uitvoering van dit werk wordt
voorgesteld, en dat inderdaad als het Hoofdwerk over dit onderwerp mag worden
beschouwd.
Zie VAN HASSELT, Het Haarlemmermeerboek, enz.
- LEEGHWATER.
- Zie haar beeld op een der kerkglazen in de kerk te Gouda,
en haar lof in Schotels Abdij van Rijnsburg bl. 203 en volgg.
- Eene eer, aan haar voorgangster Maria van Tautenburg door
Keizer Karel V aangedaan, die haar bij die gelegenheid „zijn gebiedende Vrouwe”
noemde.
- Silvia Van Lennep, nu Baronesse Taets van Amerongen. jongste
dochter van den onvergetelijken
Dichter van den Hollandschen Duinzang.
- Het beweerde recht der stad Leiden op den droogvallenden bodem
van het meer, op grond van haar recht van visscherij, en dedaarover gevoerde procedure
gaven aanleiding tot dezen mijnen IIIden Haarlemmer-Meer-Zang,
na den Isten in 1839, en den IIden in
1850.
- Caubes is min of meer de Leidsche uitspraak van den in
die stad onder de peueraars niet ongewonen naam van Cobus, verkort voor Jacobus.
- Het wilde-Andijvie-kruid. De bodem van het Haarlemmer
Meer kwam nauwelijks boven, of hij wals ook op vele plaatsen als overdekt met Cineraria
palustris, Moeras-Aschkruid, dat reusachtig opschoot, rijk bloeide, en zijn
zaadpluis op den wind ver en wijd overal bij wolken henenzond, ja tot in Amsterdam
verspreidde, De polderlieden noemden deze plant Wilde Andijvie, wegens de gelijkenis
van het blad.
- ’t Bonte hoenderdom. Dit kleine notabel stukje zal
ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt dat de eieren van de hoenderen en eenden in
de Beemster thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beemster
werd gevangen.”
LEEGHWATER, Haarlemmermeer-boek (1641)
Uitgave van van Hasselt, 1838, bl. 29.
- Eigenlijk de komagen; een soort van wijde laarzen, die
tot over de knieën reiken, en met zacht gras aangevuld zijn.
- Pap: Predikant.
- lijnen: linnen. Vergelijk: lijngewaad.
- Dat, in dezen mijn IVden
Haarlemmermeerzang met: puik der Molenaren, de oude Rijpsche Molenaar van
den IIIden bedoeld wordt, de man die in 1641 het eerste plan tot
droogmaking van het H. M. heeft ingediend behoeft evenmin hier opgemerkt te worden als
dat de woorden: Zuig haast uw long gezond Aan de uiers ran de koeien, aan het
krachtige vers van Vondel.
„Op het Uitmalen van het
Haerlemmermeir, aan den Leeuw van Hollant” (1642) ontleend zijn.
Ingezonden op: 19 July 2001