AAN MIJN VADER.

Die ’s Heeren zegen heeft
In lief en leed ervaren,
Een leeftijd heeft doorleefd
Van tienmaal zeven jaren,
Die dankbaar neer mag zien
Op kindren en kinds-kindren,
Deed God ook hun getal vermindren,
Gelukkig prijst men dien.

Gelukkig prijst men ’t hoofd,
Gekroond met grijze lokken,
Van denkkracht onverdoofd,
Nog kloek en onverschrokken,
Nog moedig opgericht,
Door tijd noch last gebogen;
Gelukkig de onbenevelde oogen
En ’t onverbleekt gezicht.

Gelukkig prijst men d’ arm.
Nog krachtig om te schragen,
Het hart nog even warm
Als in zijn beste dagen,
En dat zoo teeder slaat
Als immer voor die gade,
Die Gods geprezene genade
Het nog behouden laat.

o Dat ze, aan gunsten rijk,
U dit geluk bestendig’,
Totdat zich eindelijk
Uw schoone loop volendig’,
Mijn Vader! en uw kroost,
Na ’t lang gezegend leven,
U welgemoed den geest zie geven,
Gelukkig door eens christens troost,


Ingezonden op: 19 July 2001