AAN MIJNE MOEDER.

Ach Moeder, welk een dag van diep en droef ontroeren,
Als eensklaps, onverwacht, met donderend gedruisch,
De koets, bestemd u uit ons midden weg te voeren,
Aanrolde, naderkwam, en stilstond voor ons huis.

’t Portier gaat open, en de tree wordt neergelaten.
Hoe klinkt die bel en breekt de harten van uw kroost!
Uw gade slaat en weent; maar zucht noch tranen baten:
Gij kleedt u tot den tocht, en spreekt een woord van troost.

Reisvaardig, neemt gij, met het oog op God geslagen,
Een moedig afscheid van ’t verslagen huisgezin;
Betreedt het voorvertrek, ziet voerman, paarden, wagen…
Maar wacht tot hooger wenk u zeggen zal; Stijg in!

Die wenk blijft achter. Uur aan uur vervult zijn ronde,
Met pijnlijk wachten, hoop en vreeze, moed en angst.
Uw afreis blijft bepaald, maar onbepaald haar stonde,
Ons voorwerp steeds van schrik, U, dikwijls van verlangst.

Op eens, wat ommekeer! Het rijtuig, weggereden,
Haalt vrienden, zusters af, bestemd u voor te gaan.
Uw diepbedroefde kring omhelst u wel te vreden;
Gij glimlacht, maar met ernst, en — houdt het reiskleed aan,


Ingezonden op: 19 July 2001