BLOEIENDE LINDE.

Diep dringt de wortel door ,
Die ’t oog ontvlucht;
Hoog stijgt de stam hervoor,
Hoog in de lucht.

Ver breiden, met een zacht ontfermen,
De takken, als weldadige armen,
Zich over ’t lager groeiend kruid,
Naar alle zijden, liefdrijk uit.

De koele schaduw strekt nog verder,
En lokt de kudde met den herder,
Des middags, op den zoom van ’t bosch,
Ter sluimring uit in ’t koele mos.

Maar het verst reikt de geur van de geurige bloesems,
Die de twijgen bezaaien, omlaag en omhoog,
Zij verbergen zich needrig en zedig voor ’t oog,
Maar verkwikken veel hoofden en zalven veel boezems.
Arm en rijk vangt dien geur, en bij dag en bij nacht
Wordt de linde gezegend en dank toegebracht.

’t Blind en hulpbehoevend zieltje,
Lang van ’s levens last vermoeid,
Ruikt hem bij haar spinnewieltje:
„Kindertjes! de linde bloeit!”

Op het ziekbed neergezegen,
Haalt het teringachtig wicht
Dezen geur nog eens terdegen
Op, en lacht met bleek gezicht,
Voor haar open venster, staken
(Komt hij ook hun neusjes raken)
Broertje en zusje ’t vroolijk spel.
De oudste heft zich op de teenen,
Gluurt vernoegd naar ’t bedje henen:
„Zusje!” vraagt hij, „ruikt gij ’t wel?”

Zelfs de ruiter, op de heiden,
Waar die geur hem tegenvaart,
Kort den teugel, stuit het paard,
Om het plekje te onderscheiden,
Waar de balsemwolk van stijgt,
Die zoo koestrend nederzijgt
Als hij, met geslaakte toornen,
Toestapt op de lindeboomen.
Zien zijn bruine wangen bleek;
Beelden uit het diepst verleden,
Enkel liefde en lieflijkheden.
Maken hem den boezem week.

Onder ’t lommer zit de Wijze,
Met den leerling aan zijn voet,
Starende op den achtbren wijze,
’t Oog vol eerbied en in gloed,
Naar den blondgelokten schedel
Wordt de stramme hand gestrekt;
’t Voorhoofd streelt zij, breed en edel,
En de geest wordt opgewekt:

„Dring diep door, eedle geest!
Om te steiler te stijgen.
Maar hoe hooger gij reest,
Leer des te laqer, in liefde, te nijgen
Tot wat, zwak en beproefd,
Uw bescherming behoeft,
En haar inroept met hopen en zwijgen.

Vermenigvuldig en verbreid
Uw kracht, uw werk, uw zegen;
Maar glimlach zacht een lijdend menschdom tegen:
Ver reik:t del
LIEFDE, verst MET LIEFLIJKHEID.”

Zeist, Juli.


Ingezonden op: 19 July 2001