BRUIDSBEZOEK IN DE PASTORIE

TE HEEMSTEDE.

Tradt gij, lieve Bruid!
Amstels muren uit,
Kwaamt ge in onze dreven,
Waar het eerste groen
Knopt aan t jong plantsoen,
En t verjongde leven,
Over bosch en beemd,
Weder aanvang neemt
Af en aan te zweven?

Schept ge in den lust,
Schept gij in de rust
Van ons land behagen?
Komt gij, voor uw kroon,
Ook het needrig schoon
Van de veldbloem vragen?
Doet het lied u goed
Van t gewiekt gebroed
Tjilpende in de hagen?

Mag de frissche lucht,
Die het tegenzucht,
t Volle hart verkwikken?
Rusten de oogen uit,
Die op bloem en kruid
Rustig nederblikken?
Dankt de ziel een God,
Die ook dit genot
Vriendlijk wil beschikken?

En gebeurt ons huis,
Onze stille kluis,
Onzen disch die eere,
Dat zij binnentreedt,
Die zich welkom weet
Waar haar voet zich keere;
Dat zij plaats neemt in
Uw verheugd gezin,
Dienstknecht van den Heere?

Zouden dan ook niet
Met der vooglen lied,
Menschelijke wijzen,
Dichterlijke galm,
Klank uit snaar en halm,
Haar ter eere, rijzen?
En een zang vol gloed
Van t oprecht gemoed
Haar den dank bewijzen?

Klink, mijn citer! klink!
Rijs, mijn zangtoon! dring
Luid door bosch en hoven!
t Vroolijkst maatgeluid
Moet de liefste Bruid,
Moet dees feestdag loven,
En een zinrijk woord
En een vol akkoord
Allen wildzang do oven.

Doch wat zegt de klank
Van het blijdst gezang,
Van de schoonste rede,
Doch wat zegt een lied,
Dat als bronnat vliet,
Bij de stille bede,
Die, als alles zwijgt,
Fluisterende stijgt
Tot den God van vrede?

Die in t volle hart
Uitgesproken werd,
Schoon geen lippen spraken,
Die het peinzend oog
Tot een traan bewoog,
Bigglend op de kaken,
Tintlend van den gloed,
Die een trouw gemoed
Voor haar heil doet blaken?

Bruidje! twijfel niet
Of een liefjuk lied
Zulker stille beden
Stijgt van uit dit huis,
Stijgt uit iedre kluis
Die gij in komt treden,
Stijgt van uit dit oord,
En, van God gehoord,
Keert het weer met vreden.

Over t vredig hoofd,
Dat in Hem gelooft,
Dat op Hem blijft staren
(Wachtende op zijn stem,
Buigende voor Hem,
Met alle englenscharen)
En, bij t vriendlijk licht
Van zijn aangezicht,
Vrees kent noch bezwaren.

O, Mij dunkt, ons oog
Ziet van God omhoog
Zegen op u dalen!
Op uw bloemenkrans
Zijgt een zachte glans
Van de schoonste stralen;
t Oog van Gods gena
Slaat u vriendlijk ga,
Waar uw voeten dwalen.

Keer ze wederom
Tot uw Bruidegom,
Die u wacht met smarten!
Strooi hem met uw hand
Bloemen van ons land,
Groeten onzer harten!
De echtband, dien gij knoopt,
In dat licht gedoopt,
Zal veel stormen tarten,


Ingezonden op: 19 July 2001