DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.

Een Deuvik, zich terecht zijn waarde
„Als Deuvik en Geleerde” wel bewust,
Daar hij op een madera-fust
Een reis gemaakt had om heel de aarde,
En ongetwijfeld al dien tijd
(’t Was streng verboôn hem af te trekken)
Aan overdenkingen gewijd,
Waarmee slechts onverstand durft gekken;
Een Deuvik dus, van de eêlste geesten vol,
Van rijpe ervaring daarenboven,
Met wetenschap gelaafd in een stikdonker hol,
Bij „passend” afkeer van gelooven,
Verliet zijn „stil studeervertrek”
En kwam zich wonen op het dek.
Het scheen zijn eerste plicht, voor allen,
De Scheepskompasnaald aan te vallen:
„Gij zijt gelukkig, lieve vrind!
Maar ’t is als een onnoozel kind;
Onnoozelheid, die ik niet laken,
Maar evenmin benijden wil:
Gij meent ons, trillende op uw spil,
Den koers naar ’t Noorden uit te maken.
Maar al mijn studie (en ik zat
Zoo lang reeds muurvast ~p dit vat)
Bewijst de onmooglijkheId dier zaken.
Vooreerst: nog is ’t mij niet gewis,
Dat daar een werkluk Noorden is;
Ten andren, kan ik niet ontdekken,
Hoe ’t Noorden naalden aan zou trekken.
’t Begrip van ’t Noorden laat ik staan;
Dat trekt sinds lang van alles aan,
Door wat gevoeligheid te wekken;
Maar ’t Noorden zelf, hoe zou dat gaan?
Gij wilt er tot bewijs van strekken;
Maar zie of u ’t bewijs met schort,
Dat ge inderdaad getrokken wordt,
En dat ik, waar gij op durft roemen
Geen malen op één punt mag noemen.
Geloof niet dat ’k uw eer verkort;
Maar hoor hetgeen ik u verklare:
Zoo daar een trekkend Noorden ware,
Het trok mij lang reeds van dit vat…
Doch neen, hoezeer ik ’t zelf begeerde,
’t Gebeurde niet; verklaar mij dat!
En voorts…”                                    
                          De Naalde sprak: „Ei wat!
Gij zut van hout, Hooggeleerde.” ”

’t Schip kwam ter ree de zoo ’t behoort.
Men rolde ’t vat met wijn van boord.
De wijze Deuvik, vol gepeizen
En studie, rolde deftig mee,
 ’t Kompas bleef eervol op zijn stee.
Het schip stak af tot nieuwe reizen;
De Naald wees trouw den weg door zee.


Ingezonden op: 19 July 2001