EEN ROOS.

Hoe lieflijk staat een frissche roos
In d’ open hof te pralen,
En vangt in d’ op gebarsten knop
Zoo menig heldren dauwdrop op
En duizend zonnestralen.

Nu laat ze eens op den morgenwind
Het hoofdjen achtloos wiegelen;
Dan bukt zij, om in ’t vijvernat,
Dat kabb’lend om haar voetjes spat,
Het lief gelaat te spiegelen.

En straks vergeet zij paarlenkroon
En zachtgebloosde wangen;
Staat stil, en luistert, en gevoelt
Wat gindsche nachtegaal bedoelt,
Met zijn verliefde zangen.

Niet anders bloeit een prille maagd,
In d’ ochtendstond van ’t leven.
Ach, pluk de tengre roos niet af,
Noch doem haar, in kristallen graf
Te prijken en te sneven!

„Maar zooveel vrijheid! Dreigt zij niet
Met onverwacht verleppen?”
Neen, lucht en vrijheid zijn gezond;
Wijd slechts uw zorgen aan den grond,
Waaruit zij kracht moet scheppen.


Ingezonden op: 19 July 2001