EVA.

Wie zal uw lijden ons verhalen,
O Moeder! uit wier vruchtbren schoot
AI t leven en het lijden sproot,
Dat, in zijn worstlen met den dood,
Zijn stem verheft in de aardsche dalen?
Dat zesmaalduizend jaren lang
Zijn noodkreet stort en treurgezang
Aan alle waatren, alle zeen,
Of, moe van t nutteloos geklag,
Zijn pijn verloochent met een lach,
Of krimpende in verzwegen ween,
Zijn stille tranen plengen mag!
Ach tranen! Bij de tranen-beken
In zand gesmoord en eenzaamheid,
Wie zal ons van de tranen spreken,
Die t eerst en bitterst zijn geschreid?
Wie zal ons zeggen welke ellende,
En hoe ze een ziel verscheuren moest,
Die, in haar volheid. zag verwoest
De zaligheden, die zij kende?
Helaas! wie heeft, bij eigen smart,
Voor de uwe ontzag, gevoel, of hart?
Wie gunt, bij eigen boezemklachten,
Bij eigen doornen, eigen zweet,
Een luttel tijds aan zijn gedachten,
Ter overpeinzing van uw leed?
Of zoo de poging tot vergeten
Van wat men in den boezem bergt,
Met heimelijke slangenbeten
De hartaar van het leven tergt,
Maar van de ziel de dwaasheid vergt
Om ijdelheden, vreugd te heeten
En t zondig wereldsche gewoel
Te prijzen, met verdoofd gevoel:
t Is ramps genoeg, zoo aan die droomen,
Waarin ze een avrechts Eden smaakt,
Een kreet van smart, een einde maakt,
Haars ondanks, van nabij vernomen;
Wat zou er wezen, dat haar trekt
Een noodeloozen blik te wijden
Aan een tooneel van smart en lijden,
Met zestig eeuwen leeds bedekt?

Neen, Moeder! Zoo zij u gedenken,
De kindren, die gij achterliet,
t Is zelden om uw diep verdriet
Een diepgevoelden traan te schenken;
Niet om zich voor den geest te wenken
Het treurig beeld der schoonste vrouw,
Versteend van plotselingen rouw.
Het is niet om u na te staren,
Zooals gij Edens stroom doorwaadt,
Het hoofd gebukt, de blonde haren
Ten sluier voor t verbleekt gelaat,
Den rug gekeerd naar t laatste stralen
Van t ondergaande zonnelicht,
En naar den oever t oog gericht.
Waar voorts uw voeten zullen dwalen,
De hand gelegd in Adams hand,
Niet losgelaten, niet gegrepen,
Bereid het leven voort te slepen
In t door den vloek gedrukte land.
Het is niet om den kreet te hooren,
Den kreet, die door t gebergte schalt,
Om alle heemlen door te boren,
Als barenswee u overvalt;
Den gil, waarvan Gods englen ijzen,
Waar heel de schopping van versaagt,
Die boschleeuwinnen op doet rijzen,
En de arendsmo van t nest verjaagt,
Den gil, die t bloed in Adams aderen
Doet stilstaan, en hem storten doet
Op t schamel bed van mos en bladeren,
Waar t ingewand u scheuren moet;
Waar gij, bij t wringen van uw leden,
Bij t splijten van uw zwangren schoot,
Slechts denkt aan t strafgericht van Eden,
En siddrend kermt: Ziedaar den dood!
t Is niet om met u neer te bukken,
naar gij uw Abel ach, hoe bleek!
Van bloed wilt zuivren in de beek,
En, door hem aan Uw hart te drukken,
Hem t leven, dat Zijn hart ontweek,
Het wondre, weggevluchte leven!
Met duizend kussen wedergeven,
Een proef, waarbij uw ziel bezweek!
Het is niet om al de ijslijkheden
Te voelen, in haar volle som,
Van uw verschriklijk ouderdom,
Vergrijsde ballinge van Eden!
Die acht geslachten voor zich heeft,
Ter dood toe lijdende aan uw wonden,
En de aard vervullende met zonden,
Waarin uw eerste zonde leeft.

Die eerste, de allereerste zonde;
t Begeerig oog; de onwijze hand;
De vrucht, zoo zoet in uwen monde,
Zoo bitter in uw ingewand;
Het luistren naar de stem die vleide;
t Verlokken van een echtgenoot,
Zoo haast verleidende als verleide,
En met hem stortende in den dood
Ziedaar wat uw verharde kinderen,
Ziedaar wat een ondankbaar kroost
Zich met een koelheid blijft herinneren,
Waar wie gevoel heeft over bloost.
De naam! waarmee gij staat geschreven
In de ijzren harten van dees tijd
Die alles toont wat gij hun zijt,
Die smalende op hun lip kom.t zweven,
Of vol van wrevel en verwijt;
De naam, waarmee ze u kennen leeren
Aan t kroost, hun dankbaar voor die les
Van kinderliefde en vroom vereeren,
Is anders geen dan zondares;
Eerste, ergste, dwaaste zondaresse!
De tranen, daar uw oog van vliet,
Hebb God geborgen in zijn flessche,
Op hun register zijn ze niet;
De tranen niet, de tranenvloeden,
Die gij hebt uitgestort voor God,
Bij t vreeslijk treffen van zijn roeden,
t Vervullen van zijn strafgebod!
De tranen niet, de tranen-zeen
Van deernis met uw nageslacht,
In schrikkelijker zieleween
Dan lichaamssmarten voortgebracht!
Gij hebt geboet; Zij, onboetvaardig,
Verwijten U hun zondig hart.
Gij hebt geleden om hun smart;
Zij achten U geen deernis waardig.
Gij hebt het schandlijk zondekwaad
Uit voller harte leeren vloeken,
Zij, die het altijd meerder zoeken,
Beladen u slechts met hun smaad.
Gij hebt vergiffenis ontvangen,
Na t aardsche Wee een hemelsch Wel,
En zij verwijten u hun hel,
Die naar uw hemel niet verlangen.
t Is of in u hun t beeld verrijst
Der vreemde vrouw op de onschuld loerend,
Die haar gestolen waatren prijst
En, t hart door teederhen ontroerend,
Met haar verboden vruchten spijst,
Terwijl haar valsche hand de dooden
Verbergen blijft voor haar genooden,
Die zij het pad der helle wijst. (*)
En immers zien zij, in uw beeld.
Een wijze moeder voor zich treden
Die met haar vurigste gebeden ,
Haar kroost den hemel aanbeveelt;
Die, met den rimpel van de smarte,
En met haar zachtsten, teersten blik
Blijft smeeken tot haar jongsten snik:
Mijn kindren, ach! bewaakt uw harte!
Of zoudt gij niet die moeder zijn?
Of zijt gij t enkel onzer zonde?
En danken we u, alleen de pijn
Der erfelijke boezemwonde,
Waaruit een altijd versche smaad
Voor uw gebogen hoofd ontstaat,
En die van de eerste levensstonde
Ons van een liefdeplicht ontslaat?
Zijt gij geen moeder, die vermanen,
Die troosten kan wie haar vereert?
Speelt daar geen Klimlach door uw tranen
Voor hem, die van uw tranen leert?
Gaat uw betrokken mond niet open
Tot woorden van den zoetsten klank,
Die op een Paradijs doen hopen,
Waarin geen plaats is voor de Slang?
En zijn daar lippen die u vloeken,
Die u bespotten met verwijt,
O Gij, die aller moeder zijt,
Beschermt u niet het Boek der boeken,
En wreekt u de arm niet van dien God,
Die wie zijn moeder vloekt, of spot,
Met nacht en duister zal bezoeken? (*)

Drie zonen, Eva! heeft uw schoot
Geschonken aan dees droevige aarde;
En zoo gij hen met smarte baarde,
Wel bracht gij hen met kommer groot!
Uw eerste is Kan. Eenmaal stond
Hij voor u, bleek, verwilderd, bloedig
Van handen en gelaat, hoogmoedig
En woest, een glimlach om den mond,
Hoij had voor al uw luide klachten
Niets over dan een koud verachten;
Voor t moederlijk verwijt een blik
Die t hart u stil deed staan van schrik ,
Hij vluchtte in d ijslijkst aller nachten
En sedert werd geen troostlijk woord
Van deerstgeboren zoon geboord.
Uw tweede is in zijn bloed gesmoord.
Hij scheen geboren om te lijden
En vroeg te sterven; ach, hoe heeft
U t hart des jonglings aangekleefd,
Wien zulk een dood haast af zou snijden!
Uw derde is Seth; uw troost, uw kroon,
Uw kracht, uw steun in oude dagen,
Een trouwe smeeker voor den troon
Diens Gods, naar wien bij leerde vragen.
Nog leeft die Kan, in t geslacht,
Dat koel zijns vaders naam veracht
En dat zijn moeders naam niet zegent;
t Geslachte, dat zijn broedren drukt,
De vroomheid met zijn haat bejegent,
En voor de roede Gods niet bukt.
Nog sterft die Abel duizendwerven,
En weekt met tranen en met bloed
De doornige aarde voor zijn voet,
Maar lijdt en zwijgt met zacht gemoed,
Heeft lief, en zegent in zijn sterven.
En nog heft Seth, met vroom gelaat,
De handen ernstig tot den Heere
En bidt vergeving voor al t kwaad,
En predikt, dat zich t hart bekeere
Tot Hem, die haast te komen staat
Opdat Hij de aard met, vuur vertere;
Tot Hem, die eerst uit Evas schoot
Een menschlijk bloed heeft aangenomen,
Dat, als Hij t op deze aard vergoot,
Haar beetre dingen toe deed stroomen,
Dan dat uit Abels wonde vloot.

Met welk een vreugd wordt Seths geslacht
In Evas armen opgewacht,
In schaduw van de levensboomen,
Die God aan t klare stroomkristal
Van t hemelsch Eden planten zal!


Ingezonden op: 19 July 2001