HET HAARLEMMERMEER. (*)

1850.

Nu wordt de Slokop opgeslokt,
Nu raakt zijn rijk ten ende;
Nu ligt de grove Waterreus
Zieltogend op zijn breeden neus,
En jammert van ellende.

Nu laat hem Oome Cruquius,
Nu kopt hem Vader Lijnden
En de oude Rijpsche Molenaar
Purgeert hem sedert derd’half jaar,
Dat al zijn krachten kwijnden.

Nu slinkt zijn buik met ieder dag,
Zijn onderkin en wangen;
N u droogt hij als een stokvisch uit.
En hoort wel dat zijn doodklok luidt
In onze zegezangen.

Ja, oude Landplaag! ’t is genoeg
Aan Hollands tuin geknabbeld;
Genoeg gesleept naar diepte en krocht,
En wat gij niet verslinden mocht
Bezoedeld en bezabbeld.

’t Geduld is uit; de straf gereed;
Uw wisse dood gezworen;
Uw huis en erf verbeurd verklaard;
En wat uw roofzucht heeft vergaard
Zal nu der vlijt behooren.

Rukt aan, met spade en ploeg, en komt
Dit watererf bezaaien,
Gij, zonen van ’t gewroken land!
Met vroolijk hart, met nijvre hand…
En doe Gods gunst u maaien!


Ingezonden op: 19 July 2001