HEMELVAART.

Wat staart gij, met kortzichtige oogen,
Op d’ ondoordringbren hemeltrans?
Daar houdt een wolk uw Heer omtogen,
Gansch oogverblindend door haar glans.
Wat wenscht ge u wieken, wenscht u krachten
Om op te varen waar Hij leeft,
Die zelfs op vleuglen van gedachten
Het heiligdom niet binnenzweeft!

Ach. leer in eigen boezem delven;
Misleid u niet, tot enkel smart;
En vraag, bij hemelsch licht, uzelven:
„Woont reeds de Heiland in mijn hart?
„Werd Hem, die opvQ.er in den hoogen,
„Ook daar een zetelopgericht,
„Zoo dat Hij, naar zijn alvermogen
„En liefde, ook daar een hemel sticht?”


Ingezonden op: 19 July 2001