JAARGETIJDEN.

(NAAR ERNST FLORIS).

LENTE.

Onder vreugde en zoete smarten,
Scherts, gezang en minnekoozen,
Vluchten ons de schoonste weken.
Al wat bloeien kan, kan breken,
Veldviooltjes, malsche rozen,
Blanke lelies, jonge harten.

ZOMER.

Drukkend is de heete lucht;
Dreigende onweers barsten los;
Donker kleurt zich veld en bosch;
Maar in stilte rijpt de vrucht.

HERFST.

Koren hier, en ginder druiven,
Die tevreden is, is wijs;
Gaarne ziet hij, tot dien prijs,
Kleur en geur verstuiven.

WINTER.

Wordt u de aarde droef en duister;
Zie omhoog naar s hemels luister.

Leer in grauwe windeldoeken
Kiemen van nieuw leven zoeken.


Ingezonden op: 19 July 2001