WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.

Fier zwijgt de vader in zijn lot,
En leert, in ’t duister kerkerkot,
Verdragen wat hij draagt.
De klacht der moeder stijgt tot God;
Eens raakt zij uitgeklaagd…
„Ach kinderkens, mijn kinderkens!
Uw moeders hart
Bezwijkt van smart,
Zij heeft geen woorden meer.
Komt! handjes samen, oogjes dicht!
Uw englen zien Gods aangezicht;
Ontferme zich de Heer!”

Bij ’t venster knielt de kleine kring;
In ’t midden, vaders lieveling,
In ’t midden, de oudste zoon;
Wat is zijn leeftijd nog gering,
Wat is de jongen schoon!
„Ach kinderkens, mijn kinderkens!
Uw moeders hart
Bezwijkt van smart;
Zij heeft geen woorden meer
Wat staart gij op de donkre straat?
Bidt bidt tot God die u verstaat!
Ontferme zich de Heer!”

De nacht is duister. Star noch maan
Is aan den hemel opgegaan;
De kamer zonder licht.
De moeder ziet den kleinste aan…
Hoe blinkt zijn aangezicht!.
Och moedertje, lief moedertje!
„Hoe schoon trekt daar
Een gansche schaar
Van gouden lichtjes voort!
Zij zweven naar des Hertogs slot;
De heilige englen zijn ’t van God,
Die ons gebed verhoort!”

De bleeke moeder hoopt, en ducht;
Zij treedt aan ’t venster met een zucht;
Maar alles wat zij ziet
Is donkre huizen, zwarte lucht;
Gods englen ziet zij niet.
„Ach kinderkens, mijn kinderkens.
Het wicht verstaat
Niet wat het praat;
Lief jongske! ga ter rust.
De vromen dient Gods englenschaar;
Maar in dien boozen Hertog daar
Betoonen zij geen lust.”

Nu schudt de kleine ’t lokkig hoofd,
Bedroefd dat moeder niet gelooft,
En tuurt aandachtig voort,
Tot dat de glans is uitgedoofd,
Die om zijn kopje gloort.
„Ach moedertje, lief moedertje.
Gewis geschiedt
Wat broertje ziet;
Der englen taak is schoon;
Gehoorzaam aan zijn wijs gebod,
Volbrengen zij een last van God” —
Zoo spreekt haar oudste zoon.

De kindren gingen tot hun rust.
Het wee der moeder schijnt gesust;
Zij slaapt den ganschen nacht;
Ook droomt zij dat haar de eega kust,
Die in den kerker smacht.
„Ach kinderkens. mijn kinderkens!
Wat toeft gij nog?
Omhelst hem toch,
En kust zijn bleek gezicht!
Hij kwam in ’t holste van den nacht;
Duc d’ Alva heeft hem thuisgebracht
Met pauk en fakkellicht.”

Duc d’ Alva woelt op ’t ledikant;
Zijn voorhoofd gloeit, zijn boezem brandt;
Zijn mond gaapt naar ’t geluid;
Nu strekt hij de een’, dan de andre hand
Met schrik en woestheid uit.
„Laat los, laat los, gij kinderkens!
Laat los, o vrouw!
Vergeet uw rouw!
Gij hebt uws Hertogs woord;
’k Verbreukte ’t nooit, tot goed noch kwaad;
’k Vervul het met den dageraad;
Uw beden zijn verhoord.”

De nacht gaat om; het morgenlicht
Schijnt reeds den kleinen in ’t gezicht,
Genaderd door een scheur.
Nog zijn de zware bouten dicht…
Wie klopt daar aan de deur?
„Staat op, staat op, mijn kinderkens!
Sta op, vriendin,
En laat mij in!
Omhels uw echten man!
Hij, die het hart der vorsten buigt,
Heeft voor mijn goede zaak getuigd,
Hij hebbe de eer er van!”

Dit volksverhaal is te vinden in WOLF’S Niederl. Sagen S. 157,


Ingezonden op: 19 July 2001