KOEKOEK.

Zeer zelden is ons de eer beschoren,
Dat iemands oog u ziet;
Maar des te meer vervult ge onze ooren
Met uw eentonig lied;
En wij — wij willen ’t altijd hooren,
Al zingt gij anders niet
Dan: Koekoek, Koekoek!
Koekoek Eenzang!

Elk kent, mijnheer! uw ruim geweten,
Uw vreemd begrip van recht;
Daar gij. om zelf wat rijker te eten,
Uw kroost te vondling legt:
En wij — wij willen ’t aardig heeten,
Al is het nog zoo slecht
Van Koekoek. Koekoek,
Koekoek Eenzang!

Gij spelt ons niet dan regenbuien;
Gij gilt uw blijdschap uit,
Als, op een heldren dag, in ’t zuien
Een donker luchtje kruit.
Hier zou een ander ’t door verbruien;
Maar wat wordt ooit misduid
Aan Koekoek, Kopkoek,
Koekoek Eenzang?

Gij schijnt ons deze les te leeren
Van populariteit:
„Men heeft zich niet zoo zeer te keeren
„Aan kunde of eerbaarheid!
„Verberg alleen met zorg uw veêren,
„En zie wat kracht er leit
„In Koekoek, Koekoek,
Koekoek Eenzang!”


Ingezonden op: 19 July 2001