KOPEREN BRUILOFT.

AAN ALEIDE.

Ach, melieve, welk een feest!
Welk een vreugde voor de harten,
Die, in voorspoed en in smarten,
Steeds gezegend zijn geweest,
Door de liefde van dien God,
Die de schaal houdt van ons lot.

Ach, melieve, welk een dag!
Daar we een zestal frissche spruiten
In de minnende armen sluiten,
Met een stillen, dankbren lach,
Waar een traan zich mee vereent,
’t Lieve jongske nageweend.

Ach, melieve, welk een dank,
Welk een schaamrood nederknielen
Voor den Herder onzer zielen;
Welk een davrend lofgezang!
Hij schonk liefde en overvloed,
Gaven, krachten, troost, en moed.

En, te midden van ’t genot,
Hoeft de boezem voor zijn ooren
Deze bede niet te smoren:
„Spaar onz’ echtknoop, machtig God!
„Spaar de kindren! Schend, o Heer!
„Onzen schoonsten krans niet weer.”

4 Maart 1853.


Ingezonden op: 19 July 2001