DE LEIDSCHE VISSCHER

EN

HET HAARLEMMER MEER,

IN 1852.

Nu is het Meer niet meer;
Het moet zijn water missen;
Het krijgt het nimmer weer
En nog wil Caubes visschen.

Het wilde-andijvie-kruid
Schudt overal zijn stengelen,
En strooit zijn pluizen uit
En nog wil Caubes hengelen,

Het koolzaad zal eerlang
Hier veld bij velden kleuren;
Het ploegpaard komt te gang
En nog wil Caubes peuren.

Haast hoort men hier alom
Het kraaien, tokken, kakelen
Van t bonte hoenderdom
En nog wil Caubes schakelen.

Och Caubes! t Is gedaan;
De hekken zijn verhangen!
Daar is in t Meer voortaan
Voor u slechts slib te vangen,


Ingezonden op: 19 July 2001