LENTE.

Had ik uw adem, Nachtegalen!
Uw zilvertoon,
Langs alle heuvlen, alle dalen,
Zou ik uw smeltend lied herhalen,
Zoo vol, zoo schoon!

Ik prees dien God in mijn gezangen,
Die veld en woud
\Veer ít groene kleed heeft omgehangen,
Na zooveel maanden van verlangen
Zoo blijde aanschouwd.

Ik zou dien grooten Schepper loven,
Die, ongezien,
Zijn troon gevestigd heeft daar boven,
En wien de bloempjes onzer hoven
Hunne offers biÍn.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen,
En ís avonds laat;
Met u, zo ede ik des nachts niet zwijgen,
Daar ít maantje. glurend door de twijgen,
Ons gadeslaat.

En ít oog, dat nimmer wordt gesloten,
Dat alles ziet,
Den kleinen zanger en den grooten,
Wier lofgezangen samenvloten,
In gunst bespied.

Mijn lied zou vrome zielen treffen,
Daar ít woorden gaf
Aan wat zij kennen en beseffen,
En logge geesten opwaarts heffen
Uit stof en draf.

Ik ware een priester in dien tempel,
Die thans alom
Van liefde en almacht toont den stempel ó
Nu zink ik zwijgende op den drempel
Van ít heiligdom.

Mei.


Ingezonden op: 19 July 2001