MADELIEFJE.

ít Is Floraís page:ó in every place,
In every season fresh and fair,
It opens with perennial grace,
And blossoms everywhere.
J. MONTGOMERY.

Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid,
Het hagelwitte kroontjen uit.
Om ít hart van louter goude!
Al valt ons ít voorjaar schraal en ruw,
Wat, Madeliefje, deert het u?
Gij zijt niet bang voor koude.

Gij wacht niet tot, met zomerpracht,
De zon vroeg opstaat in haar kracht,
In ít purperkleurig oosten;
Maar komt ons, needrig als gij zijt,
Van een gerekten wintertijd
Met goelijk lachje troosten,

Als ít Maartsch viooltje, dicht in ít mos,
In ít warmste plekje van het bosch,
Zich huivrig aan komt melden,
Wast reeds uw knopje, rood als bloed,
Het bibbírend paaschlam voor den voet,
In de on-beschermde velden.

Daar spoort gij, met ontploken blaan,
De velerhande bloempjes aan.
Nog sluimrend of kleinmoedig.
Ze ontwaken lieflijk, een voor een,
En schittren vroolijk om u heen,
Maar neigen ít hoofd zoo spoedig.

Zij neigen ít hoofd, zoo jong en schoon,
Hier pronkende met gouden kroon,
En ginds met bonte verven;
Het blozende gelaat wordt bleek;
En ít oogje, dat zoo geestig keek,
Breekt, in een haastig sterven.

Maar gij bloeit voort in ít scheutig gras,
Haast overdekt u ít hoog gewas,
Als pluim en aren zwieren.
De hooitijd komt: die pronk ligt neerÖ
Gij zijt er nog, gij zijt er weer,
En zult het etgroen sieren.

Het etgroen, ja! en ít laatste groen.
Laat vrij de najaarsstortvlaag woÍn,
De winterstormen naderen:
Glimlachend ziet gij ít woeste spel,
En groet den kortsten dag nog wel,
Van tusschen gele bladeren.

Ik weet wie, in bevroren grond,
In ít zonnig hoekje u bloeien vond,
Als sneeuw het veld reeds dekte;
Ik weet, in wiens bezwijkend hart
De les, die dus gegeven werd,
Een nieuwe veerkracht wekte.

O Leerzaam bloempje, laag benaamd,
Gij maakt uitnemender beschaamd,
Door onuitputbre krachten.
Die needrigst leeft, leeft veiligst voort;
En die zich aan geen tijden stoort,
Hoeft op geen plaatsen te achten.

De duinroos vindt men slechts op ít duin;
De heibloem, in ít eentonig bruin;
De korenbloem, in ít koren;
Geen smachtende vergeet-mij-niet
Dan tusschen lisch en oeverriet
En waterkers verloren.

Der bloemen schoone koningin
Ontziet zich met haar hofgezin
In ít open veld te pralen;
Daar slechts in schaŻw van dicht geboomt,
De balsemgeur ons tegenstroomt
Van ít lelietje der dalen!

Maar gij, gij klimt den heuvel op,
Ontplooit op ít heideveld uw knop,
En siert des akkers zoomen;
Gij spiegelt u in kreek en vliet;
En, in uw eenvoud, schroomt gij niet
Den bloemhof in te komen.

Gij schuwt de schaduw noch het licht,
Maar toont alom een blij gezicht;
Gij hebt geen zorg van noode;
Een droppel regen, laat of vroeg,
Een weinig zons is u genoeg,
Een staanplaatsje op de zode.

Veel bloempjes kiest men om hun geur;
Dit om zijn vorm, dat om zijn kleur;
Niet elk behaagt aan allen;
Maar gij, aan lof noch blaam gewoon,
Uw zedig, uw bescheiden schoon
Toont ieder welgevallen.

U mint niet slechts de schalke maagd,
Die stil uw blaadjes ondervraagt,
Om ít zoetst geheim te ontdekken;
Maar ook de ziele, stil voor God,
Waarin het voorrecht van uw lot
Een weinig moed kan wekken.

U mint het hart, dat, vol en zacht,
Gods rijke schepping tegenlacht
En ít loflied uit doet vloeien;
De wijze, wien gij ootmoed leert;
De needrige armoe, die gij eert,
Door voor haar deur te bloeien.

U mint een onbezorgde jeugd,
In ít gras, met koninklijke vreugd,
Haar boersche kransjes windend;
En ít weesje, vreemd aan spel en lust,
Ter stille plek, waar moeder rust,
U altijd wedervindend.

ít Weemoedig schaapje, in de open hei,
Het veulen, dartlend door de wei,
Verheugt zich u te ontmoeten,
En ít bijtje, dat uw honig ruikt,
En in uw open hartje duikt,
Om liefde en lust te boeten.

U mint al ít dichterlijk gediert:
De leeuwrik dien gij ít nest versiert
En naoogt onder ít steigeren;
En ik, wien ge, als ik eens voor al
U door mijn snaren vlechten zal,
Geen wedermin zult weigeren.


Ingezonden op: 19 July 2001