DE MAGDALENE BIJ ’T KRUIS.

Hier is mijn plaats. Aan deze voeten,
Genageld op dit hout;
Hier, dat de tranen vloeien moeten,
Die Gij in gunst aanschouwd.
De Simons schudden ’t hoofd en smaden
En lastren als weleer:
De Zondares, met schuld beladen,
Stort in aanbidding neer.

De middagzonne derft haar luister:
De dag is donkerheid.
Uw oogen zien, ook in dit duister,
Wie aan uw voeten schreit.
Gij kent haar, Heer! Gij zult haar dulden,
Gij leest haar tot in ’t hart
Het is de vrouw van vele schulden,
Wie veel vergeven werd.

Ook op haar arme ziele daalde
Een zevendubble nacht;
Maar ’t licht, dat eens haar tegenstraalde,
Behoudt, ook hier, zijn kracht.
Gij lijdt, Gij sterft; Zij voelt uw smarte,
Zij siddert bij uw wee;
Maar, in het binnenst van haar harte,
Behoudt Gij haar den vreę.

Haar oor vernam die bittre klachte:
„Waarom verlaat gij Mij?”
O zielverbijstrende gedachte…
Verlaten!… Heiland, Gij?
Toch blijft Gij haar van vrede spreken,
Die al uw strijd aanschouwt;
Toch voelt zij, in geen strijd bezweken,
Dat haar ’t geloof behoudt.

Ja, Gij zult Israel bevrijden;
Eens stijgt ge op Davids troon;
Daar komt een heerlijkheid na ’t lijden,
En, na dit kruis, een kroon!
Eens, in uw koninkrijk gekomen,
Gedenkt Gij, naar uw woord,
De vrouw, die Gij hebt aangenomen,
Bemoedigd, en verhoord.

Gewis, haar zonden zijn vergeven,
Haar schuld is weggedaan,
Haar naam in ’t levensboek geschreven;
Dat zeide Uw mond haar aan;
Die mond, die lieflijke, die zachte,
Die thans zoo bleeke mond,
Zich oopnend tot zoo bittre klachte,
In zoo ontzetbren stond!

Ach, Zij vertroost, en Gij verlaten;
Gij smachtend, Zij onthaald;
Gij, prooi van allen die u haten,
Zij, door uw gunst bestraald!
Die alle straffen Gods verdiende.
Zelfs door geen vrees benauwd!
Gods Heilgen in een jammer ziende,
Daar God zich ver van houdt!…

Dit heilig lichaam enkel wonde,
Van koorts en pijn verteerd;
En ’t schandlijk werktuig van de zonde.
Gezond en ongedeerd!
Komt, overmoedige soldaten!
Doet recht, en spot niet meer!
Laat dezen Koning ’t kruis verlaten;
Mij voegt het, niet mijn Heer.

Dit hout, met al zijn ijslijkheden,
Verdiende ik lang en steeds.
Wat toeft gij? Komt! Verscheurt dees leden,
Ontziet geen tenger vleesch!
Ik heb de wet van God geschonden,
Moedwillig, dartel, dwaas…
Komt! Laat mij sterven voor mijn zonden,
En sterven in Zijn plaats!

Maar neen! de Onschuldige moet lijen,
Als ’t offer op ’t altaar,
Als ’t Lam der oude profecijen…
En zoo Hij ’t offer waar?
Indien… Ja, Israels Verwachting!
Verzoener van mijn schuld!
„Men leidde u als een lam ter slachting.
„Zachtmoedig, vol geduld!”

Een stem roept uit: „Ons overtreden
„Kost Hem dit leed, dit bloed.
„Het zijn Onze ongerechtigheden,
„Die Zijn verbrijzling boet.
„De straf, die op ons hoofd moest wezen,
„Verdraagt Hij in dees smart.
„Door Zijne striemen zijn genezen
„De wonden van ons hart.”

Mijn ziel geeft antwoord: „Heer! ik dwaalde
„Gelijk een schaap in ’t rond;
„Zijt Gij ’t, op wien mijn misdrijf daalde,
„Gij Herder, die mij vondt?
„Zijt Gij voor mij, voor mijne zonde
„Gelijk een lam geslacht?…”
Aanbidlijk woord, door uwen monde
Gesproken: „’T IS VOLBRACHT!”


Ingezonden op: 19 July 2001