MEIZANG.

AAN MARIA.

Nu zich het aardrijk opendoet
Tot vroolijk groen en blijde knoppen,
Nu voel ik ook in mijn gemoed
De dichtaar weder kloppen.

Nu t nachtegaaltje wederom
Een lied zingt in den hagedoren,
Nu blijf ook ik niet langer stom,
Maar hef weer aan als voren.

Maar t eerste liedje dat ik slaak,
Maria! moet uw ooren treffen:
Het is een lang beloofde zaak,
En die ik graag vereffen.

Wat zing ik, daar het roosje knopt
En gouden regens en seringen
En mei met bloemen staan gepropt,
En alle vogels zingen?

Wat denk ik. als ik denk aan u,
Die k als achtjarig kind reeds minde,
En als volwassen jonkvrouw nu
Niet min beminlijk vinde?

Ik denk aan deze uw lentedag.
Dees schoonen voortijd van uw leven:
Geniet hem, daar uw hart het mag;
Hij is van God gegeven.

Pluk rechts en links zijn bont gebloemt.
En hoor den wildzang onder t lommer;
De reine vreugd, waarop hij roemt,
Aanvaard ze, vrij van kommer.

Aanvaard ze, met een blijden geest,
Als uit de goede hand des Heeren:
Een dankbaar hart geniet het meest,
En kan het best ontberen.

Gij weet: een lentedag is kort;
Zijn weelde telt maar weinige uren;
t Gezang verflauwt. t gebloemte dort;
De liefde Gods zal duren.


Ingezonden op: 19 July 2001