DE MOEDER DES HEEREN.

Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt,
Wiens schoon gelaat het vredig licht der hemelen
Weerkaatste, en over ’t uwe, ontroerde maagd!
Een weerglans van hun heerlijkheid deed wemelen;
Neen, niet alleen toen gij zijn groet gehoord
En, diep ontsteld, zijn boodschap hadt vernomen,
Is in uw hart dat hartdoorschokkend woord:
.Hoe zal dat zijn?” met siddring opgekomen —
Het bleef u immer bij; het leefde met u voort.

„Hoe zal dat zijn?” Het antwoord is gegeven,
Gij weet: Niets is onmooglijk bij dien God,
Wiens geest, wiens kracht, wiens schaduw scheppend zweven
En over u zal komen, Naam en lot
Stelt ge in zijn hand, en buigt het hoofd: „De Heere
Doe naar zijn woord.” Zijn woord is liefde en macht,
U riep Hij tot een voorrecht, tot een eere,
Waarbij uw ziel bezwijkt — neen! zwijgt en wacht.
Maar zonder dat ze een straal van hooger licht begeere?

’t Geloof verwint. Uw maagdelijke voet
Trotseert gevaar en steilte op Juda’s bergen,
Waar ’t wonderkind in moeders schoot u groet,
En vreugde en dank uw ziel een lofzang vergen.
Hoe hoog, hoe triumfeerend klinkt de toon
Van ’t harte, dat zich in zijn God verheugde,
Der moeder waard van Davids grooten Zoon,
Ontstoken van een Koninklijke vreugde.
Bleef steeds uw moed zoo hoog, uw hoop zoo klaar, zoo schoon?

Of daaldet ge, in uw eenzaam huiswaarts dwalen,
Somwijlen van den stralenrijken top
Uws vasten bergs, en kwam in donk re dalen
’t „Hoe zal dat zijn?” weer in uw boezem op?
Die boezem zwelt. ’t Gelooven wordt aanschouwen.
Het uur genaakt. Ook Jozef leert den staat
Te zeegnen der gezegendste der vrouwen.
Het slaat… Maar beeft uw hart niet als het slaat?
Uw oog aanschouwt het kind. Maar durft ge uw oog vertrouwen?

Hoe was ’t u, in dien wonderbaren nacht,
Als gij dit kind het stroo der kribbe spreidde,
En herdersmond een lied van englen bracht,
Dat ’s Heeren lof en ’s menschen heil verbreidde?
Hoe was ’t u, op dien wonderbaren dag,
Als de ouderdom, hem heffende in zijn armen,
In ’t schreiend wicht het Licht der Volken zag,
Dat Isrel zou beschijnen en verwarmen;
Maar ’t zwaard, uw’ ziel bestemd, u niet verbergen mag?

Hoe zal ’t u op dien schoonen morgen wezen,
Als Seba komt met Scheba aan zijn zij,
En zegt: „Ons is des Konings star verrezen!”
En wierook brengt en goud en specerij?
Die dag gaat om. Hem volgt een nacht van vreezen,
Van moederangst en vlucht in allerijl.
God echter waakt. Dit kind moet veilig wezen,
Maar is niet vaak, aan d’ oever van den Nijl,
’t „Hoe zal dat zijn?” met kracht in ’t peinzend hart gerezen?

’t Geloof is strijd; het wordt, in tijd en smart,
Door schok op schok bestreden allerwege;
Het harte zelf bekampt dien schat van ’t hart,
En zoekt zijn ergste neerlaag bij de zege.
Maar welk een strijd was de uwe, Vrouwen maagd!
Die „’t Heilige”, uit uw reinen schoot geboren,
Gods Zoon genaamd, met Moeder-oogen zaagt,
Zijn dorst versloegt, zijn kinderkreet mocht hooren,
En de eerste tranen van zijn koontjes hebt gevaagd!

Een heil ge wolk omnevelt voor onze oogen
Het Galileesch gebergte, ’t lage dal,
De stille stad, waar gij hebt opgetogen
Wien alle knie zich eenmaal buigen zal.
Ons bleef zijn jeugd, zijn reine jeugd verborgen;
Het woord slechts niet, waarin zijn klaar gemoed
U toonde dat hij, in zijns levens morgen
Alreeds, ’t geheim zijns levens had bevroed;
Maar gij, gij zaagt hem kind, afhanklijk van uw zorgen.

Gij zaagt hem kind, den kinderkens gelijk,
En onder kindren; spelend, leerend, wassend
Naar geest zoowel als leden; slechts geen blijk
Van zonde; op uwe en Jozefs wenken passend;
Welhaast diens zweet en needrig werk gewoon;
Vol wijsheid, maar eenvoudig; ingetogen;
Geen woord, geen wenk, geen stap tot Davids troon;
Geen wondergaaf, geen bovenaardsch vermogen.
Nu vroegt ge: „Is dit mijn kind?” En straks: „Is dit Gods zoon?’

Gerekte proef van dertig lange jaren,
Waarin dit stil, dit diep, dit trouw gemoed
De woorden en de dingen bleef bewaren,
Waardoor uw hoop getergd werd, en gevoed.
Ach woorden, door Gods englen, Gods profeten
Gesproken en gezongen; en het woord
Van ’t Heilig Kind, in ’t midden neergezeten
Van wijzen, door zijn wijze jeugd bekoord;
Woord slechts door U bevroed, door U slechts niet vergeten.

Op eenmaal, van het zuiden tot het noord,
Doet ééne kreet vallei en bergen schateren.
De stemme van den Roepende is gehoord.
Het volk ontwaakt bij duizenden. De wateren
Weerkaatsen ’t woord, dat van hun oever stijgt:
„Het Koninkrijk des Heeren komt! Gij dalen,
Verheft u! En gij trotsche bergen, zijgt
Terneder, om den Koning in te halen!”
Gij kent dien Koning, Gij aanschouwt Hem— Maar Hij zwijgt.

Gij zaagt Hem niet, waar zich de hemel scheurde,
De Heilge Geest neerzweefde van omhoog,
En ’t needrig hoofd, dat uit den stroom zich beurde,
Met al den glans der hemelen omtoog.
U was het niet vergund de stem te hooren,
Die uit het diepst van ’s hemels zalen klonk,
Wanneer, omringd van zwijgende englenkoren,
De Vader aan den Zoon getllignis schonk…
Maar Hij doolt heen, in ruigte en wildernis verloren.

Hij keert terug. Wat glans van zegepraal
Blinkt om zijn hoofd en schittert uit zijn oogen!
Straks zit Hij neer aan Kana’s bruiloftsmaal…
Daar is uw ziel zijn daad vooruitgevlogen;
Het wonder van zijn liefde, dat uw hart
Reeds, in dat hart vol liefde, had gelezen,
Eer ’t op een woord, een wenk geboren werd,
Om U slechts niet te wonderlijk te wezen,
Klonk, bij zoo grootsch een Daad, zijn ernstig Woord u hard?

Leer teedre vrouw! leer zwijgen, leer verwachten,
Leer lijden; want uw lijdenstijd vangt aan;
De tijd der openbaring der gedachten
Uws volks, wiens dag van heil is opgegaan.
Te midden van uw moederlijke droomen
Van heerlijkheid, die zich vervullen gaat,
Van vorsten, gaven voerend langs de stroomen,
En heerschappij van zeestrand tot Eufraat —
Gedenk dat woord: „Nog is mijne ure niet gekomen.”

Gedenk het, als de Vorst, van God beloofd,
Miskend wordt door de zijnen en verstooten,
Geen schuilplaats vindt voor zijn gezegend hoofd!
Gedenk het, als uw eigen stadgenooten
Hem voeren naar de steilte, dat aan dien,
Wiens vlekloosheid men dertig jaar aanschouwde,
Voor aller oog het ergste moog geschięn…
Peil, zoo gij kunt, dien afgrond, die u grouwde!
Diep is hij; dieper zult gij zijn verneedring zien.

„Zijt gij het, die zou komen, of verwachten
We een ander?” vraagt de Dooper in den strijd,
Het warren en het worstlen der gedachten…
Gij zwijgt; gij zegt: „Ik weet dat gij het zijt.”
„Toon, wreek u op ons ongeloof!” dus tarten
Uw zonen dezen zoon; gij zwijgt, en wacht,
En volgt, maar God slechts weet met welke smarten,
En in wat kamp der ziele, dag en nacht.
Tot uit den zwartsten nacht het licht verrijst uws harten!

O bange nacht! wat macht heeft u gebaard?
Afschuwlijk kruis! hoe komt gij opgerezen?
Heeft de Almacht zelf haar meesters op deze aard?
Bezwijkt de Zoon? o God! „Hoe zal dit wezen?”
Daar staat gij op den heuvel, koud als ijs,
Versteend en stom, staroogend, zonder leven,
Totdat een wenk. een klank van „paradijs,”
Een woord van liefde u d’ adem weer komt geven, (*)
En u het hart versterkt, op nooit gekende wijs.

O gij, die niets meer ziet of wenscht te aanschouwen,
Nadat uw oog dit schouwspel heeft gezien,
Die niet meer vraagt wat verder mag geschięn,
Gezegendste en beproefdste van de vrouwen!
Zie weder op, krijg weder oogen. kracht
En moed tot leven; want gij zult nog leven,
„Zijn uur” breekt aan uit dezen bangsten nacht;
Steun op den zoon, u door den Zoon gegeven;
Verlaat den berg van smart, en (eenmaal nog!) verwacht!

Een nacht, een dag, en nog een nacht verdwenen;
Het morgenlicht der nieuwe week breekt aan.
Nu spoeden de Maria’s grafwaarts henen;
Maar gij blijft stil, gij laat ze grafwaarts gaan,
Het graf is leeg. De Magdalena’s snikken,
De Simons naadren en verschrikken.
Johannes hoopt en vreest. Maar gij verbeidt. Een stem
Roept juichende uit: Hij is verrezen!
En gij vraagt niet: „Hoe zal dat wezen?”
Gestorven met uw Heer, rijst ge uit uw graf met Hem.


Ingezonden op: 19 July 2001