OPVOEDING.

(NAAR RÜCKERT.)

Nooit kon ik den kunstgreep leeren
Om mijn kindren te dresseeren;
Daarom zijn zij opgegroeid
Als hun vader, onbesnoeid.
Maar, wanneer ik ’t soms beproefde,
Heeft het toch dit nut gehad,
Dat het aan mijzelf iets glad-
schaafde, dat de schaaf behoefde.
Iets; niet alles; daaglijks toch
Haakt het hier en elders nog.
Mooglijk, dat zich Alles gladde
Zoo ik meer tuchtmeesters hadde,
Naamlijk kindren op te voên…
Doch met zeven kan ik ’t doen.

 


Ingezonden op: 19 July 2001