SIMON PETRUS.

Bevallig Meer, volschoon Gennésaret,
Dat, met een lach van moederlijk ontfermen,
Den jeugdigen Jordaan in ’t koele bed
Ontvangt en streelt en ophoudt in uw armen,
Dan weer ontslaat en, met een stil gepeis,
Van tusschen ’t groen, nog vroolijk na blijft staren,
Onwetend hoe hij, na een korte reis,
Het Meer des Doods in d’ open muil zal varen!
’k Wenschte u te zien, stil, donkerblauw, en klaar
In ’t diepe dal met effen golfjes vloeiend,
Geen windje met de ruige gersten-aar,
Geen tochtje met de wilde haver stoeiend,
Die aan uw zoom, met blont gebloemt vermengd,
Op de akkers praalt, die in de glooiing hangen,
Waarlangs u beek bij beek de schatting brengt,
Van trap tot trap in ’t vallen opgevangen.
’k Wenschte u te zien, wanneer in ’t hoog gebergt
De wind ontwaakt en uitbreekt door zijn kloven,
Door ’t oponthoud verbitterd en getergd,
Om met één vlaag u al uw glans te ontrooven,
Uw waatren op te jagen, dol van schrik
En wit van schuim, dat opstuift van uw zoomen,
En uren ver, in ’t eigen oogenblik,
De roosjes knakt, die van geen onheil droomen.
’k Wenschte, aan uw rand, te denken aan den tijd,
Toen gij, omringd van dichtbevolkte steden,
Nog schooner dan gij tegenwoordig zijt,
Geen graanoogst slechts uw oevers zaagt bekleeden,
Maar aan den wijn- de olijvenhof zich sloot,
Het dadelbosch u schaduw toe mocht wuiven,
En ’t hart van maand tot maand werd uitgenood
Op overvloed van vijgen en van druiven;
Toen ’t in uw kil, zoo stil en eenzaam thans,
Bij nacht en dag van bruine zeilen krielde,
En ’s levens nood en de arbeidstaak des mans
Uw oevers en uw watervlak bezielde.
Zoo heeft de zoon van Jona u aanschouwd,
De visscher, aan uw boorden opgetogen,
Van jongs af met uw wateren vertrouwd,
En in gevaar, als de appel van zijn oogen,
Door God bewaard, die voor dit needrig hoofd
Een last en, bij den last, een kroon bewaarde,
Die (Simon! had uw hart het ooit geloofd?)
Eens schittren zou voor hemel en voor aarde!

O, welk een dag, als, uit eens broeders mond,
Door ’t vurig hart de blijmaar werd vernomen:
„De Christus, aan de Vaderen verkond,
De Christus, o mijn broeder! is gekomen;”
Als ge aan de hand diens broeders, vol ontzag
Hem aanzaagt, die geheel uw ziel doorschouwde,
En in den zoon van Jona, reeds dien dag,
Den Petrus zag, dien Hij hem maken zoude!
O, welk een dag, als ge aan diens broeders zij,
In ’t stille meer het vischnet uit gingt strekken,
En ’t: „Visschers van de menschen zijt gij mij!”
’t Ontroerde hart zijn roeping moest ontdekken!
O, welk een dag, als, na een langen nacht
Van ijdle moeite en arbeid en gevaren,
De morgenstond den Meester tot u bracht,
Om van uw boord de saamgevloeide scharen
Te zeegnen met zijn woorden, enkel geest
En leven, kracht en balsem voor de zielen,
Maar straks daarop u, bevende en bevreesd,
Voor d’ aanblik van zijn wondren te doen knielen,
Neen, als verplet terneer te werpen, van
Een diep besef van schaamte en schuld verslonden —
„Heer, wijk van mij! ik ben een zondig man…”
Zoo spraakt gij tot den Redder van de zonden,
Maar liet zijn hand niet varen. Ach, uw hart
Was ’t Zijne alreeds, om nooit van Hem te scheiden…
Vaarwel, lief Meer! Dit afscheid baart geen smart;
Uw zoon gaat waar hem Jezus zal geleiden.

Vaak zal hij nog, met Hem, u wederzien,
Uw watervlak op nieuw zijn scheepken dragen,
Getuige van veel wondren. ’t Zal geschiên
Dat Petrus in de branding zal versagen,
En Jezus sluimren; tot op eens zijn woord
Uw golven, en den stormwind, en de zielen
Der zijnen stilt, en aan ’t bevredigd boord
Slechts knieën vindt om voor Hem neer te knielen.
Haast… Schriklijk is de nacht en hoog de nood,
En Jezus ver. Hoe schuimen al uw baren!
Hoe dreigt en nijgt de ranke visschersboot
Elk oogenblik den afgrond in te varen.
Een hoogste golf rolt voor ’t verschrikt gezicht
Plechtstatig aan, omringd van hooge golven;
Haar witte kruin, verlicht door bliksemlicht,
Blinkt altijd uit, wordt nimmer overdol ven.
Zij nadert… Neen, dat is geen waterpluim…
De stormwind speelt met breede mantelvouwen…
Een spook der nacht waart om door ’t brandend schuim…
Hoe gilt de vrees, dit vreeslijkste aan te schouwen!
„Hebt goeden moed!” zoo spreekt een dierbre stem:
„Vreest niet! Ik ben ’t.” De vrees is weggenomen.
Het is de Heer. En Petrus zegt tot Hem:
„Indien Gij ’t zijt, zoo laat mij tot U komen!”
Een wenk! Hpl staat op ’t om hem zwalpend nat.
Een blik! Zijn voet zinkt weg; zijn knieën volgen…
En, had de Heer zijn hand niet aangevat,
De Petra waar door d’ afgrond ingezwolgen!

Heeft Simon! in dien later nacht,
Toen ge, over dieper stroomen,
Tot Jezus wildet komen!
En ge andermaal bezweekt van kracht,
Om andermaal te ervaren;
„Slechts Jezus kan bewaren,”
Uw hart aan dezen nacht gedacht?

Vergunden toen de weenende oogen
Te denken aan dien nacht op ’t Meer,
Waar wind en golven uwen Heer
Woest in ’t gezegend aanschijn vlogen,
Maar zonder dat zijn oog of mond
Zweem van ontsteltnis deed vermoeden,
Daar Hij als op een steenrots stond,
Te midden van de watervloeden;
Te denken aan dien oogenblik
Van ontzetting en schrik,
Toen dondren en klateren
Van bruisende wateren,
Gegons en gegier van een razend’ orkaan
U den moed deed vergaan,
U ’t geloof deed bezwijken,
En het beeld des Heeren wijken,
In wiens kracht gij slechts kondt staan!…
Ach, wat dwarling greep u aan!
Voor uw oogen, welk een duister!
Zie, hoe zwerk en water wielt…
Maar een blik straalt u toe, door de liefde bezield;
Uit het diepst van uw hart rijst een heilzaam gefluister:
„Heer behoud mij!”… Hij behield.

En ook later heeft Hij u behouden,
Met dien blik, die doordrong tot uw hart
Ach, Hij wist wel dat ze vloeien zouden,
Deze bittre tranen uwer smart.
Tegen Hem zijn stormen losgebroken
Woedender dan immer op het Meer,
Maar, zichzelf vergetend, heeft de Heer
U de hand der redding toegestoken.
Hij zal den storm niet doen bedaren,
Die THANS Hem tegendruischt;
 Hij zal niet wandlen op de baren,
Wier barning om Hem bruist;
Straks overstelpen Hem de golven
Dier opgezette zee;
’t Gezegend hoofd wordt overdolven
Door ’t onuitspreeklijkst wee;
Straks sluiten over Hem de beken
Zich dicht van dood en graf;
Maar, als Hij ’t hoofd weer op zal steken,
Wischt Hij uw laatste tranen af.

Daar rijst de schoonste morgenstond,
Die uwe bergen ooit verguldde,
Uw vreedzame oevers in het rond
In rozengloed en paarlen hulde,
Of, op het aadmen van zijn mond,
Uw tintelende golfjes krulde,
O Galiléa’s lieflijk meer!
Uw borst gaat golvende op en neer,
Alsof zij klopt voor reiner sfeer,
Alsof zij trilt van hooger leven;
Een ongelijkbre heerlijkheid
Ligt op uw spiegel uitgebreid,
Alsof ge een zegen Gods verbeidt
En aan voelt zweven;

Alsof gij van den reinen glans,
Die eens zal schittren aan den trans
Der nieuwe hemelen, reeds thans
Een zuivren straal hadt opgevangen;
Alsof gij waardig waart gekeurd,
Het heil, waarom de schepping treurt,
Waarnaar zij reikende armen beurt,
Reeds nu te erlangen,

En immers mag u ’t heil geschiên,
Den Heer der heerlijkheid te zien,
Wien de englen op gebogen kniê
Verlangende ten hemel wachten
(Want alle dingen zijn gereed)
Maar die nog eens uw zoom betreedt,
Als Hij zoo menigwerven deed,
Bij dag en nachten!

De volle gloed der heerlijkheid,
Ten hoogsten hemel Hem bereid,
Waar Hem de troon der eeuwen beidt,
Staat nog te komen;
Maar op dit hemelschoon gelaat,
Blinkt van dien dag de dageraad.
Die heel den glans vermoeden laat,
Die uit zal stroomen.

Zijn Jongren zitten zwijgend neer.
Hun ziel gevoelt: „Het is de Heer!”
Een vraag welt op, maar smoort zich weer;
Zij wagen ’t niet een zucht te slaken;
Maar ’t hart slaat hoorbaar, klop voor klop.
Hier is het als op Thabors top;
Alsof de Heer sprak: „Ik vaar op;
Ontziet, Mij aan te raken!”

Zijn blikken, die in ’t ronde gaan,
Doen Thomas de oogen nederslaan:
Johannes ziet hem vorschend aan;
Nathanael zit opgetogen;
Maar Simon, zoon van Jona! Hij
Wendt zich tot u. „Bemint gij mij?”
Vraagt Hij tot driemaal toe; en gij…
Toont weenende oogen;

Maar ook, een hart zijns zelfs bewust,
Op zijn alwetendheid gerust,
Een liefde, die zijn voeten kust,
Met ootmoed en vertrouwen beiden.
Welaan! Die liefde stelt in staat
De kudde, die Hij achterlaat,
Voor Hem te hoeden en te weiden,
En Hem te „volgen, waar Hij gaat.”

Simon, heeft voorheen
U ons hart geprezen:
Deze liefde alleen
Doet u Petrus wezen.
Deze liefde doet
Wandlen op de baren;
Zonder overmoed
Lacht zij met gevaren.
Zij zal, in haar kracht,
Over muren springen;
In den holsten nacht
Blijde psalmen zingen.

Dat nu ’s vijands haat,
Volk en hoogepriester,
Dat des Boozen raad,
Sluwer steeds en driester,
Deze liefde vrij
Aanval onder ’t wapen:
Nimmer wankelt zij,
Nooit meer zal zij slapen,
Nimmermeer vervaard
Wijken, vluchten, zinken, —
Maar het vleeschlijk zwaard
In de scheede klinken.

Deze liefde kent
Roem noch eigen krachten,
’t Oog omhoog gewend,
Durft zij hulp verwachten,
Deze liefde, rein
Van ’t hoogmoedig eigen,
Stil voor God en klein,
Weet haar wil te neigen,
Gordt zichzelv’ niet, laat
Zich de handen boeien,
Lijdt, en acht geen kwaad
Zoo haar bloed moet vloeien.

Moet zij aan het kruis
’s Heilands beker drinken.
Uit des Vaders huis
Zal haar tegenklinken:
„Deze liefde moest,
„Uit de kroes des Heeren,
„Zevenmaal getoetst,
„Zuiver wederkeeren,
„Om voorts onverdoofd
„Als een kroon te pralen,
„Die op Jezus hoofd
„Schittert met haar stralen.”


Ingezonden op: 19 July 2001