TRIOMFEERENDE ARGUMENTEN.

1.

De ware wijsheid gaat met needligheid gepaard;
k Ben needrig en dus wijs; dat s dunkt mij klaar bewezen;
En wien ik voortaan geen orakelt je mag wezen,
Bewijst zijn domheid klaar en opgeblazen aard.

2.

AAN EEN GELEERDEN TEGENSTANDER.

Geleerdheid zal ons niet verbazen;
De eenvoudigste is het meest verlicht.
De kennis, vriend! maakt opgeblazen;
De liefde, alleen de liefde sticht,

3.

AAN EEN GEMOEDELIJKEN TEGENSTANDER.

Gemoedlijk, ernstig! t Kan wel wezen!
Maar, lieve man! houd uw gemak
Wie weet of gij Hebreeuwsch kunt lezen!
En voorts, gij zijt geen man van t vak.

4.

AAN EEN HOOGGELEERDEN TEGENSTANDER.

Collega heeft mij niet begrepen:
k Bedoelde t juist zoo als hij wil.
t Verschil van rechte en kromme strepen
Is, wel bezien, een klein verschil.

5.

AAN EEN JEUGDIGEN TEGENSTANDER.

Laatdunkend jongling, zoo verwaten !
t Bewijst niet veel wat gij bewijst
In zulke dingen mee te praten
Past hoofden slechts, met eer vergrijsd.

6.

AAN EEN GRIJZEN TEGENSTANDER.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.
Maar, is ze ook al de kluts niet kwijt,
Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig
Niet op de hoogte van den tijd.

7.

AAN EEN WELSPREKENDEN TEGENSTANDER.

Komt ge in uitnemendheid van woorden?
Schruf recht en slecht, al is t wat grof
Een kleed zoo schittrend om te boorden
Bewust met heel veel voor de stof.

8.

AAN EEN ZAKELIJKEN TEGENSTANDER,

Leer eer.st uw taal wat beter schrijven!
Gebruik de Siegenbeeksche vijl!
Uw aanval zal niet lang beklijven;
Hij heeft zijn vonnis in den stijl.

9.

NIET AAN, MAAR VAN EEN DUCHTBAREN TEGENSTANDER.

De man is overal weerlegd
Door alle knappe luiden
En t beste, dat hij schrijft en zegt,
Heeft weinig te beduiden,
Ook. heeft hij onze weinigheid
Niet enkel aangevallen,
Maar zelfs (met afschuw zij t gezeid!)
Dien lievling van ons allen!
En zoo het groot publiek eens wist
Zoo als t ons is gebleken,
Hoe dikwijls zich die man vergist
Dien men zoo stout hoort spreken!
Een staaltje! Op zeekre pagina
Staat a + b voor b + a.

10.

AAN ALLEBLEI TEGENSTANDERS.

Ik ben de liefde zelf, en zoo er iets ontbreekt
Aan mijn geleerdheid nu! wie zou zich feilloos prijzen?
Maar gij zijt zeedijk slecht. En vraagt gj naar bewijzen
Dit ne: dat gij mij gedurig tegenspreekt.


Ingezonden op: 19 July 2001