VERWACHTING. (*)

Van der bergen steile wanden
Storten, met luidruchtig klateren,
Met een onverduldig branden,
Met onwederhoudbren val,
Alle Wateren
Zich in t dal;
Daarop scheiden
Zich de vloeden,
Om de landen door te spoeden;
Daarop spreiden
Zich de stroomen,
Langs verscheiden
Bed en zoomen;
Daarop breken
Honderd beken,
Met een daverend geluid,
Haastig uit;
Zij doorkruisen
Zonder rust
Alle streken,
Iedre kust,
Zij doorbruisen
Alle landen,
Zij bereiken alle stranden,
Zij doorvorschen alle hoeken:
Om den God der aard te zoeken.

En de vlammende Gloed
Treedt, zooras hij ontwaakt,
t Lage dal, waar hij blaakt,
Met den vurigen voet,
En schiet lijnrecht omhoog
Naar den oppersten boog;
En zijn hoornige kop.
Immer hooger gestrekt,
Scheurt het wolkenkleed op:
Of hij den Heer van den Hemel ontdekt.

En de Aarde schaart, als stille wachten,
De reuzenbergen op hun post,
Door jaar- noch eeuwkring afgelost,
Wier kruinen ijs en sneeuw bevrachten.
Zij zien op, zij zien uit
Naar het Oost, naar het West, naar het Noord, naar het Zuid,
Bij dagen,
Bij nachten,
Bij stormen, bij stilte, bij bloei, bij verval.
En vragen
t Heelal,
Of de groote Wereldrichter dan niet eindlijk komen zal!


Ingezonden op: 19 July 2001