WEERHAAN-WIJSHEID.

Tempor! cedere — semper sapientis est habitum.

CICERO.

„De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden
Te schikken.” Dat ’s een spreuk van Romes redenaar.
Dies diende, voor een tijd, Pompejus aangebeden,
En Cesar, na diens val, verheerlijkt; dat.ls klaar,
Nu ’t is ook veiligst bij den winnaar; en in zegen
Wordt immers liever dan in nederlaag gedeeld?
Een kroontje lacht het hart wel eens zoo aardig tegen,
Als traan, of schaamteblos, die door de wangen speelt.
De Zon. gaat op! Bid aan! — Zie, zie haar hooger stijgen!
Kraai al wat kraaien kan haar morgenglorie uit! —
’t Is avond, en zij daalt. — Zwijg! Wijzen voegt het zwijgen. —
Zij zinkt, gaat onder! — Foei, nu dient zij uitgefluit.
Op nachtuil, ’t is hoog tijd! — De Maan schijnt op te komen…
Is ’t Waarheid! Is zij vol? Wij smelten reeds in lof. —
Zij naakt Orion. Hoe? Zij schijnt zijn knots te schromen…
Haar wang verbleekt… Houdt op! Daar is geen lovensstof.
Dus laken?— Niet zoo snel! Daar is een soort van loven
Met laken ondermengd; waar past dat, zoo niet hier?
Zoek Nieuwland middlerwijl. Maar neen! de Maan haalt boven!
Weg, laffe starpoëet! Uw lichtheld deugt geen zier.
Lang leef de Maangodes! — Wel mag het haar bekomen .
Ziet gij dat wolkenheir? Haar neerlaag is gewis.
’t Rukt aan, verdikt, verwint, heeft alles ingenomen…
Het rijk der Maan heeft uit. — Lang leef de Duisternis!
Hoe was ’t ook mooglijk dat we aan ’t licht ons zoo verwenden?
Verblinding hield ons aan een ijdlen glans geboeid.
Verga en Zon en Maan en duizend Sterrebenden:
Het Duister is ’t alleen, waarvoor ons hart ontgloeit.
Ach, zotte schouwburgpronk met gloed en straalgeflonker
Die de oogen afmat en ’t gevoelig brein ontsteekt!
Hoe veilig tasten we om in ’t hartverkwikkend donker
En knijpen wien ’t ons lust, terwijl geen schepsel ’t wreekt. —
Wat ’s dat? Een purpren gloed verschijnt aan de oosterkimmen;
De lucht wordt klaar en blauw. Wat of dat worden zal?
Dat is „de blonde Auroor;” haar „rozenvingren” glimmen…
Verwacht de Zon eerlang met schepter, kroon, en al!
Dat ’s leelijk. Niet in ’t minst. Al toonden wij gehechtheid
Aatn duisternis en nacht, wat maakt dat uit, gansch bloed!
Belijd die dwaling met wat nagemaakte oprechtheid:
Die grijns is overal voorhanden, en staat goed.

Ach, ’t kost zooveel niet zich in ’s werelds spel te schikken.
Zoo knie en rug en tong maar meê wil, en ’t verstand
Den juisten tact bezIt der gunstige oogenblikken,
Het maakt u meester van de meesters van het land,
„Ja maar ’t geweten!” Wat geweten? Zulke dingen
Zijn overbodig; moeit ge u daarmee? Lieve man!
Wat beeldt uw hart zich in? Wij zijn geen hemelingen,
Maar nog op de aarde thuis. Daar gaat het… zoo als ’t kan,
Volhardt gij? Ban u dan uit onze samenleving!
Gewetens zijn niet op de hoogte van den tijd.
Wij dulden veel; maar voor gewetens… geen vergeving!
Zij zijn behoudend, achteruitgaand en, in spijt
Der wetenschap, geheel niet vatbaar voor ontwikkelen.
’t Geweten acht ik niet rein menschlijk; niet geschikt
De menschheid op de baan haars strevens aan te prikkelen
„Maar God heeft, dunkt mij toch…” Van God dient niet gekikt.
Of wilt ge een God, en ons den waren godsdienst toonen,
Ze is liefde, en anders is ’t geen godsvrucht zoo ’t behoort.
Wat zegt uw Bijbel? „Zoet en lieflijk is ’t dat zonen
Van ’t zelfde huisgezin als broedren” en zoo voort.
En daarom, plaag ons niet met wat wij stelsels heeten;
Wees liefdrijk; geef en neem, en knel u in geen keurs,…

Dat is: Vertrap het Recht, om meer en beter te eten;
Verzaak Gewisse en God, maar nimmermeer uw Beurs.


Ingezonden op: 19 July 2001