ZANGDRIFT.

Hoe woelt de poŽij
In mij,
En haakt aan ít licht te komen;
Als in ít gebergte een volle bron,
Begeerig naar den glans der zon,
Begeerig uit te stroomen!

Hoe voel ik mij omringd,
Omkringd, .
Door beelden, geesten, schimmen
Van schoonheid, liefde, waarheld, kracht,
Me omzwevende in een halven nacht,
Waaruit een dag wil klimmen.

Hoe ruischt mij koor op koor
In ít oor,
Verlokkend en ontroerend!
Hoe zoet weemoedig is het mij,
Als ware een stroom van melodij
Mij op zijn golven voerend;

Als hoorde ik in ít verschiet
Een lied,
Dat hart en zin mocht kluisteren;
Een nieuw gezang, dat niemand zong,
En dat de gansche wereld dwong
Tot opgetogen luisteren!

Mijn vrienden, neen! geen lust,
Maar rust
Ontbreekt den armen zanger.
Hem kwelt een lang getergde dorst
Naar poŽzij, zijn moede borst
Is van gedichten zwanger.

Geeft de onbezorgde vreugd
Der jeugd,
Haar zoete mijmeringen,
In schaduw van ít aloud geboomt
Of waar, van munte en tijm omzoomd,
De rimpelende duinbeek stroomt,
Hem weer ó en hij zal zingen.


Ingezonden op: 19 July 2001