ZONSONDERGANG.

’s Hemels wonder
Duikt in volle schoonheid onder,
Schittert met gekleurde stralen
Over heuveltop en dalen,
Dekt de kim met vuur en vonken,
Troost de wereld met zijn lonken,
En neemt afscheid met een lach —
Morgen rijst een nieuwe dag!
Maar voor heden,
Slechts wat na-gloor hier beneden;
Slechts een lichtstreep aan de kimmen,
Met een rozenkleurig glimmen,
Dat den wolkjes in hun zweven
Aan blijft kleven;
Straks is ’t nacht…
Maar de maan betrekt haar wacht.

Desgelijken
Is uw glorierijk bezwijken
Ook geweest,
Groote Geest!
Als een zon zijt gij gezonken,
Als een zon hadt gij geblonken
En met vollen glans gepraald,
Tot gij, laat, hadt uitgestraald.
Rijkbegiftigde, des gevens
Nimmer moe,
Wierpt ge ons, op de grens des levens,
Nog uw schoonste schittring toe.
Eensklaps, als gij waart verdwenen,
Werd het duister om ons henen…
Ja, een schoone na-gloor blijft
Aan de nevelwolkjes hangen —

Maar waar of het maantje drijft,
Dat van nacht u zal vervangen?


Ingezonden op: 19 July 2001