AFSCHEID.

(Uit het Hoogduitsch.)

Gij klopt; ik kom! Doch, eer k den laatsten ga.ng
Naar t stille graf, betrede,
Doodengel! laat mij tijd voor n gezang,
Tot dank- en afscheidsbede.

Heb dank, o milde Vader, liefdrijk God!
Voor al t genot van t leven;
k Heb nooit vergeefs, bij t wisslen van mijn lot
Het oog tot u geheven.

Heb dank voor t leven, dank ook voor den dood
Einde aller moeite en smarte:
Hoe bitter eerst, zoet wordt des stervens nood,
Leeft gij in t lijdend harte.

Hoe menig bloem van troost bloeit voor den voet.
In t ondermaansch geweste;
Uw wil geschiede; uw wil is altijd goed!
Die troost is ver de beste.

Vaarwel, schoone aal.de! En gij, vaartwel en leeft,
Wie k minde en moet begeven!
Indien ik soms u heb bedroefd, vergeeft!
Het brandt me op t hart bij t sneven.

Wij scheiden, ja! maar zien elkander weer,
Waar allen zich vereenen.
Daar scheurt de vriend zich van zijn vriend niet meer;
Daar is geklag noch weenen.

Vaartwel! Reeds wordt het nacht voor t brekend oog;
t Mag U niet meer aanschouwen.
t Wordt duister; maar mij dunkt, ik zie omhoog
Een nieuwen morgen grauwen

Gij roept! ik kom tot u, en draal niet meer!
Geliefden, t hoofd naar boven!
Voorbij is t leed; reeds ziet mijn oog den Heer.
Wien k eeuwig ginds zal loven.


Ingezonden op: 19 July 2001